Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

vebhooging v. h. vit,e hoofdstuk des staatsbëgrooting

hoofdeischen uit te spreken; ik acht dat advies een slap stuk.

De heer Vekhey: Dit laat ik daar. De heer Thomson zal het straks zelf zeker wel nader aantoonen.

Het komt er ten slotte op aan, als men een artillerievloot wil hebben, dat zij bestaat uit goede vechtschepen. Nu schijnt het onbetwistbaar, dat het schip artilleristich niet voldoet aan moderne eischen, dat het te zwak gepantserd is en dat het. te weinig vaart loopt. De door den Minister voorgestelde bewapeningmet 4 kanonnen van 28 cM. L/45 kan niet voldoen. Het wil mij voorkomen, dat zulks in het „Marineblad" en in de Marinevereeniging ten duidelijkste is aangetoond en dat het den Minister, dien ik dank zeg voor zijn uitvoerige behandeling van dit punt in de Memorie van Antwoord op de suppletoire begrooting, niet gelukt is de daar aangevoerde argumenten te ontzenuwen.

Door de voorstanders van grootere schepen wordt de eisch gesteld, dat de schepen tenminste kunnen voeren een zware batterij van 28 cM. L/50, dan wel een.batterij van kanons van 30.5 cM., welke meening op goede gronden wordt verdedigd.

Een van de zeeofficieren heeft in het „Marineblad" en in de Marinevereeniging m. i. aangetoond, dat het aantal kanons van het voorgestelde schip om in te schieten inderdaad te gering is; dat het inschieten te lang zou moeten duren, en dat dus onze schepen te lang onder het werkzaam, misschien overstelpend vuur van de te verwachten vijandelijke scheepsmacht zouden zijn, voordat zij zelf den vijand eenige schade zouden kunnen toebrengen. Ook wordt aangevoerd, dat de vijand, die met zwaarder geschut is bewapend en zwaarder is gepantserd dan onze schepen, niet op zoodanigen afstand zal komen dat ons eskader met zijn pantsergranaten den vijand eigenlijk nadeel zal kunnen toebrengen. Om nu die eischen, meerdere snelheid, betere bewapening, betere pantsering, te verkrijgen, worden noodig geacht als minimum schepen van 15 000 ton, en in die deskundige kringen is men van meening, dat met de noodige accessoires, verkenners, torpedojagers, onderzeebooten enz., dan een werkelijke macht zal kunnen verkregen worden, die uitzicht belooft op feitelijke handhaving van ons gezag in Nederl.-Indië.

De Minister voert tegen die grootere schepen verschillende bezwaren aan, bezwaren van personeelen en ook van financieelen aard. Breedvoerig worden zij door den Minister in de verschillende Memories uiteengezet; ook de gevolgen van die aanschaffing, bestaande in verbreeding van sluizen en bruggen, in aanschaffing van dokken, in verdieping van dokken, ook het minder toegankelijk maken van de reede van Soerabaja, wat door den Minister'als een groot bezwaar genoemd wordt, worden uiteengezet. Wat de Minister daaromtrent mededeelt moet in velerlei opzicht tot nadenken stemmen. Er zou inderdaad aan de op- en inrichting van zulk een vloot heel wat vast zijn, zoowel op financieel als op personeel gebied. Mij dunkt, dat

Sluiten