Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912. - beraadslaging.

'107

Rijkswerf, volkomen geoutilleerd, zoo'n ding aan den gang moet worden gehouden. Elke Minister van Marine zal voor die noodzakelijkheid staan zoolang die werf er is. Men kan op een gegeven oogenblik zeggen: wij hebben geen werk meer voor de werf; nu moeten al die werklui maar afgedankt of op wachtgeld gesteld worden. Want ook al ging dit uit financieel oogpunt heel goed, zij zouden toch daardoor een deel van hun vakkennis verliezen en wanneer zij weer noodig zouden zijn, zou het weer geruimen tijd duren voordat zij hun vroegere bedrevenheid hadden teruggekregen. Het ligt dus in den aard der zaak, dat zoolang die werf er is, elke Minister van Marine daarmede rekening zal houden en dat dit zijn nachtmerrie wordt die hem achtervolgt: de werf heeft haast niets meer- te doen, laat ik tijdig zorgen, dat de Kamer weer een schip voteert. Of zoo'n schip wel goed op die werf kan worden gebouwd, of het voldoet aan redelijke, desnoods aan minimum eischen, dat doet er niets toe; men heeft die werf en zij moet aan den gang gehouden worden.

Zoo wordt de werf hoofdzaak en zal zij het type van onze marineschepen bepalen.

De beide motieven die voor het schip zijn aangevoerd, de vervanging van de „Kortenaers" en de arbeidverschafflng voor de werf, zijn dus, dunkt mij, ontoelaatbaar.

Maar ik moet dit schip ook uit een technisch oogpunt nog even bekijken.

Daarbij sta op den voorgrond, dat dit schip door niemand is verdedigd dan door den Minister zelf. Dit heeft den Minister een jammerklacht ontlokt in de zoo pas verschenen Memorie van Antwoord. Hij schrijft daaromtrent op blz. 14 ongeveer dit: Ik heb wel verdedigers — ge moet niet denken dat ik alleen sta -, maar die verdedigers zijn zóó bescheiden en zóó doordrongen van hun verantwoordelijkheid, dat zij allen zwijgen en mij alleen laten staan.

Dit acht ik voor den Minister ook maar het gelukkigste; want er is ten slotte één deskundige gekomen, die zich waarschijnlijk door die klachten heeft laten vermurwen om toch wat ten gunste van het schip te zeggen; het was de luitenant ter zee le klasse Gooszen, die op een dezer dagen in den Helder gehouden vergadering van de Marinevereeniging heeft gezegd, dat het schip wel niet aan minimum-eischen voldoet, maar dat toch een kleine vogel in de hand beter is dan tien vogels in de lucht.

Een zwakker verdediging van 's Ministers plan is toch zeker wel niet denkbaar en de vergadering, voor welke deze verdediging werd gevoerd, vond het dan ook maar beter om tien zulke kasteelen in de lucht te zien dan één op zee. En zeer kenschetsend voor de absolute verlatenheid van dezen Minister in den kring van zijn eigen deskundige collegas is wel dit, dat alle leden van de Marine-vereeniging woedend zijn aangevlogen op dien armen heer Gooszen, alsof hij een verrader was van hun goede zaak.

Sluiten