Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor. het dienstjaar 1912.

beraadslaging.

117

één-dags millionair doen mij denken de leden in deze Kamer die zoo sterk geporteerd zijn voor den aanbouw van een schip van 15 000 ton, die blijkbaar het gevoel hebben: wat zou het heerlijk zijn als wij eens in één opzicht groote Mogendheid waren! Het doet er niet toe of de Staatskas dan al leeggeplunderd zou zijn, of wij een Staatsbankroet nabij zouden wezen, zij hadden dan althans één dag de sensatie gehad van groote Mogendheid te zijn. .

Ik vind ook niet verschoonbaar dat de heeren officieren zich niet hebben bepaald tot het technische terrein waarop zij thuis behooren, maar min of meer zijn gaan zitten op de banken van de leden der Tweede Kamer, dat zij financieele eischen hebben gesteld, dat zij Kamer en Regeering hebben verweten niet genoeg uit te geven voor de marine, dat zij bedreigingen hebben gericht tot de Regeering en de Tweede Kamer, zooals o. a. deze: als gij niet wakker wordt, gaan onze koloniën verloren.

Het sterkst heeft zich daaraan wel schuldig gemaakt de heer Umbgrove, die in de vergadering van de Marinevereeniging op 29 Februari gezegd heeft: „Zal de marine nieuw opgebouwd worden, en mijns inziens is dat beslist noodig, dan moet er meer geld komen voor nieuwen aanbouw, dan die ongelukkige 4.2 millioen, waardoor reeds te lang de groei van onze vloot is tegengehouden. Bezwaren kunnen hiertegen niet zijn, ons nationaal vermogen, zoowel hier als in Indië, stijgt voortdurend, en naarmate het bezit grooter wordt, moet ook de verzekeringspremie stijgen".

Om de flauwhartigen die altijd zeggen: „wij kunnen niet", te overtuigen, heeft de heer Umbgrove er op gewezen welke enorme schatten voor de vloot zijn uitgegeven in de dagen van de Bataafsche Republiek. Dat komt mij voor het allerongelukkigste voorbeeld te zijn dat de heer Umbgrove had kunnen aanhalen, omdat juist' ten gevolge van de roekelooze politiek in die dagen ons zelfstandig bestaan is verloren gegaan. Het vriendelijk verzoek aan de Regeering gericht om zich bewust te zijn van haar roeping, om zich te stellen aan het hoofd van de Dreadnought-beweging, klinkt dan ook vrijwel als een pogingtot zelfmoord.

Op hetzelfde aanbeeld hamert de heer Putman Oramer, die ons vertelt: „De marine is jarenlang stiefkind der regeering geweest. De Staat heeft een eereschuld aan de marine". ^

De heer van Asbeck haalt dr. Colenbrander uit „De Gids aan: „De weifeling, de slapheid en het partijgescharrel in de behartiging onzer defensiebelangen zijn een nationaal gevaar. Moge de ure uitblijven, waarop zij een nationale misdaad geoordeeld zullen worden". En dan gaat hij voort: „Moge het inderdaad zoo zijn. Want de dag kan komen en het uur kan naken, waarin het ondanks het ter zijde zetten van alle partijkrakeel te laat is. Dan zullen wij of onze kinderen worden opgeroepen om het leven in te zetten voor een verloren zaak

Sluiten