Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912.

- beraadslaging.

1(59

„Waaraan deze verandering in opvatting is toe te schrijven is ondergeteekende niet recht duidelijk; ze zou alleen te verklaren zijn wanneer gedurende de na den aanbouw van de De Zeven Provinciën" verloopen i jaren öf de strategische omstandigheden in onzen Oost-Indischen Archipel gewijzigd waren ten gevolge eener wijziging in de machtsverhouding der omliggende Staten, öf wanneer sedert geheel gewijzigde omstandigheden geleid hadden tot het aanvaarden eener andere opvatting omtrent de taak, die aan onze zeemacht daar ter plaatse moet worden toegedacht, omstandigheden, die zich evenwel, naar de meening van ondergeteekende, met hebben voorgedaan."

Naar mijn meening is daar geen speld tusschen te steken, en wat de geachte afgevaardigde uit Steenwijk zoo straks te dien aanzien heeft gezegd zou ik gereedelijk kunnen onderschrijven. Als de heer van Karnebeek opstaat en een pleit laat hooren voor een schip van 15 000 ton, dan is dat zijn recht en dan neem ik hem dat niet kwalijk, integendeel, ik weet dat te apprecieeren, maar als die geachte afgevaardigde daaraan de verwijzing toevoegt van de Krahwinkler Landwehr die hinkend achteraan komt, dan hadden wij toch wel allerminst aanleiding dat oordeel van hem te verwachten. Wie vervulde hier eenige jaren geleden zijn diensttijd bij die Krahwinkler Landwehr? Waart gij dat niet, mijnheer van Karnebeek? Hebt gij hier niet gepleit voor „De Zeven Provinciën", zooals te recht door mijn geachten vriend uit Steenwijk is gememoreerd?

De heer van Karnebeek: De Minister heeft beweerd, dat zijn schip zou passen in een artillerievloot van schepen van 15 000 ton. Daarop sloeg mijn opmerking. „De Zeven Provinciën" hebben hiermede niets te maken.

De heer THOMSon: Mijnheer van Karnebeek! Gij moet u mijn opmerking niet aantrekken, ik ben er verheugd over, dat o-ij de bakens verzet als het getij verloopt, gelijk gij straks Gezegd hebt, en ik apprecieer alleszins uw pleidooi, maar ik heb toch mijn verwondering niet kunnen onderdrukken over den ietwat hoogen toon, dien gij daar straks aansloegt, nadat ge toch altijd aan het voteeren van dat minderwaardig materieel hebt meegedaan. Het is in den geest van den persoon, die den heer van Karnebeek de gegevens heeft verschaft, den heer Umbgrove, die in de Marinevereeniging uitriep: „ja, de natie wordt wakker". Is de vertegenwoordiging dier natie, de Volksvertegenwoordiging, dan niet bij elke gelegenheid dat zulk een pantserscheepje werd aangevraagd op haar post geweest om te laten blijken dat zij - uitgezonderd dan de heer van Karnebeek en de zijnen - van die soort schepen niet gediend was? Moet men dan niet aan den heer Umbgrove c s vragen of zij zelf goed geslapen hebben? Ik vmd het

Sluiten