Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

182

verhooging v. h. viue hoofdstuk der staatsbegrooting

Ik zal eindigen; ik heb reeds te veel van het geduld deiVergadering gevraagd, en ben dankbaar voor de geschonken aandacht. Ik zou willen besluiten met dit aan den Minister van Marine in overweging te geven: Excellentie, waar ik nog eenige hoop koester, dat gij voor rede vatbaar zoudt kunnen zijn, daar vraag ik u: Ga mede met het denkbeeld dat hier is geopperd door den geachten afgevaardigde uit Goes, waarbij ik dan vóóronderstel, dat bedoeld moet zijn in beschouwing te nemen de verdediging van Nederlandsch-Indië in haar geheel; en zoolang dat, wat grondslag moet zijn voor de verdediging ter zee in Indië, niet vaststaat, besteed dan zoolang de gelden voor de aanschaffing van klein materieel, waartegen de groote meerderheid van de Kamer geen bezwaar heeft.

De heer de Savornin Lohman: Mijnheer de Voorzitter! Het spreekt vanzelf dat ik, die allerminst als marine-autoriteit zou kunnen poseeren, niet zal herhalen wat voor of tegen het schip gezegd is, dat door den Minister is voorgesteld. Al schijnen mij de argumenten die tegen het schip zijn aangevoerd, nogal overwegend, toch geef ik gaarne toe, dat in den bestaanden toestand de Minister waarschijnlijk niet anders handelen kon dan hij gedaan heeft. Mij dunkt, dat het in ieder geval niette ontkennen is, dat, wanneer men blijft in den tegenwoordigen toestand, dit schip betrekkelijk beter is dan een van de op dit oogenblik bestaande en door de Kamer gevoteerde schepen.

Ik wil ook toegeven, dat met het geld dat wij gewoon zijn voor onze marine uit te geven iets beters niet verkrijgbaar is.

Tot dusver hebben wij altijd gestaan voor de moeilijkheid: wat kunnen wij doen, ook wanneer wij een goede vloot hebben, tegenover de Mogendheden die ons omringen, en het spreekt vanzelf dat wij, daaraan denkende, vrijwel moedeloos zijn om onze uiterste krachten in te spannen.

Maar nu is er tegen dit schip een algemeene oppositie gekomen en mij dunkt, dit moet toch wel iets beteekenen. Ik zal niet zeggen, dat in die oppositie niet ook een politiek element schuilt; dat spreekt vanzelf. In de politieke bladen is natuurlijk het schip niet geheel en al te scheiden van den Minister als politiek persoon. Maar van de marine-officieren kan en mag men dat niet aannemen. Ik kan niet begrijpen en ook niet gelooven, dat de officieren van de marine, die met dat schip zullen moeten vechten, zich zouden laten beheerschen door iets anders dan door het belang van de vloot zelf. Men heeft die officieren wel herhaaldelijk zeer hard gevallen, dat zij zich vroeger niet hebben uitgesproken, maar mij dunkt, dat toch ook die officieren, al hebben zij niet altijd financieele berekeningen gemaakt, zich wel voor oogen zullen hebben gesteld wat feitelijk al of niet verkrijgbaar is in Nederland, d. w. z. wanneer men staat tegenover een Volksvertegenwoordiging, die - dit weet men nu eenmaal - zooveel mogelijk bezwaar maakt om behoorlijk voor den dag te komen met een vloot.

Sluiten