Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

184

VERHOOGING V. H. VIUE HOOFDSTUK DER STAATSBEGROOTING

wij kunnen gerust zeggen, dat Indië zijn welvaart te danken heeft aan de intellectueele en financieele inspanning van Nederland. Dat op dit oogenblik groote schatten uit Indië getrokken worden komt niet hierdoor, dat wij de bevolking exploiteeren, maar doordat wij de bronnen van welvaart die in Indië verscholen zijn, maar die de Javaan zelf daar niet uit kon trekken, te voorschijn hebben geroepen. Maar dan kunnen wij ook gerust een groot gedeelte van de opbrengst dier schatten van Indië bezigen in het belang van Indië en van zijn verdediging.

Er is natuurlijk geen sprake van, dat wij ooit behoeven te denken aan een veroveringsvloot, maar wel aan een verdedigings vloot en een verdedigingsleger.

En nu zal het, dunkt mij, bij de Kamer en ook bij de Begeering wel geen tegenspraak ontmoeten, dat een artillerievloot, bestaande uit schepen als ons bij dit wetsontwerp worden voorgesteld, ten eenenmale onvoldoende is om Indië te verdedigen. Trouwens, de Minister zelf heeft dat feit reeds toegegeven.

Maar evenzeer heeft de Minister beweerd, - en ik kan natuurlijk de juistheid daarvan niet beoordeelen — dat ook een torpedovloot, als voorgesteld door de Staatscommissie van 1906, niet voldoende is. Welnu, dan moet onderzocht worden wat dan wèl voldoende is. Hetgeen die commissie in de eerste plaats te onderzoeken had, is niet deze quaestie. Dat was voor die commissie slechts een bijzaak, en daarom mogen wij ook niet van haar verlangen, dat zij deze zaak in haar geheelen omvang had onderzocht. Nu echter moeten wij een commissie hebben die dat wèl doet. Het is mij dan ook een groote genoegdoening, dat de Begeering zich' op dat standpunt heeft geplaatst en dat wij in de Memorie van Antwoord op twee plaatsen uitdrukkelijk erkend zien, dat een zoodanige commissie benoemd moet worden. Maar ik geloof, dat wij eenigszins meelden nadruk moeten leggen op datgene, wat zulk een commissie eigenlijk zal hebben te doen. Want wij hebben niet noodig een commissie van Departementsambtenaren. Hoe hoog men ook de kennis van ambtenaren van een Departement aanslaat, het spreekt vanzelf, dat die ambtenaren uit den aard der zaak conservatief zijn. Zij zijn voor een groot deel administratieve ambtenaren en varen dus gewoonlijk voort in de sleur waarin zij zich bewegen moeten in eiken behoorlijk beheerschten Staat. Maar wanneer wij komen in geheel nieuwe toestanden, — en wij zijn nu in een geheel nieuwen toestand gekomen, in een toestand die voor drie jaar nog niet bestond en die een gewichtige verandering in geheel de wereld heeft teweeggebracht - dan moeten daarvoor, dunkt mij, personen worden aangewezen die los staan van een Departement, los van de sleur, en die mede durven te gaan in een nieuwe richting. En dan moet het Kabinet zich stellen boven het Departement; dan moet het Departement dienen om de commissie, die door de Regeering

Sluiten