Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912. —

beraadslaging.

198

verviel en de aanhef aldus gelezen werd: „De Kamer, van oordeel, dat het wenschelijk is door een Staatscommissie te doen onderzoeken enz.

Dan kan de Minister ook met den bouw voortgaan, en blijft hij dus geheel vrij.

Ik zou derhalve den Minister in overweging willen geven — hij zal, hoop ik, morgen aan het woord komen — om in dien geest zijn adhaesie aan deze motie te betuigen.

De beraadslaging wordt verdaagd en de vergadering gesloten.

74sto Vergadering van Vrijdag 8 Mei 1912.

De algemeene beraadslaging en de beraadslaging over de motie van den heer de Savornin Lohman c. s. worden voortgezet.

De heer Kuyper: Mijnheer de Voorzitter! Na het betoog van den geachten afgevaardigde uit Steenwijk zou er geen aanleiding voor mij bestaan mij in het debat over dit ontwerp te mengen, indien niet gisteren door de geachte afgevaardigden uit Utrecht I en Goes overtuigingen waren uitgesproken, waarin ik geheel met hen medega, maar waarbij zij tot een conclusie zijn gekomen, waartegen ik wel eenige bedenking heb.

De overtuigingen, waarin ik met die beide geachte afgevaardigden medega, zijn ten eerste, dat het ook mij voorkomt, dat er alleszins aanleiding bestaat om zoo mogelijk onze marine eenigszins uit haar verval op te heffen; in de tweede plaats, dat het niet ongeraden zou zijn om, waar vooral onze koloniën ons tot de instandhouding van een eenigszins belangrijke vloot noodzaken, om uit de koloniale geldmiddelen meer te nemen dan tot dusverre voor de instandhouding van de vloot is geschied ; en in de derde plaats, dat wij in een toestand zijn geraakt, waarin het alleszins noodzakelijk is om een commissoriaal onderzoek in te stellen betreffende eene maritieme defensie, en wel gelijk ook door die beide heeren is aangegeven, een commissariaal onderzoek volstrekt niet uitsluitend over de vraag of men schepen van 7600,15 000 of 20 000 ton zal moeten nemen, maar wat aangaat het geheele complex van belangen, dat hierbij aanhangig is.

Maar na deze overeenstemming geconstateerd te hebben mag ik niet ontveinzen, dat de vraag zich toch aan mij voordoet, of die beide afgevaardigden niet te optimistisch gestemd zijn ten aanzien van den tijd, waarin dat onderzoek zal kunnen afloopen. Hierop is gisteren reeds door den heer Thomson gewezen, maar terloops, en ik geloof toch, dat het wel zaak is dit punt hier eenigszins breeder toe te lichten.

Beide afgevaardigden hebben er gisteren reeds op gewezen, dat men doen moet wat men kan om het onderzoek te M.B. 1912-1913. 13

Sluiten