Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOE HET DIENSTJAAR 1912. - BERAADSLAGING.

197

brengen. Men denke maar aan de commissie voor de financiën, die er natuurlijk niet in zal toestemmen, dat de commissie voor de defensie eenvoudig over de financiën oordeelt.

Wanneer dat rapport er nu is, is men er dan ? Kan men dan zeggen: nu kunt ge gaan bestellen ? Neen, volstrekt nog niet. Wanneer dat rapport er is, komt het bij het Departement van Marine. Dat Departement van Marine vindt daarin waarschijnlijk een meerderheidsgevoelen en een minderheidsgevoelen. Het moet de argumenten vóór en tegen gaan overwegen, ja gaan wikken en wegen en, na ze nog aan andere gegevens te hebben getoetst, voor zich zelf komen tot een overtuiging wat het meent te mogen en te kunnen voorstellen.

Wanneer nu het Departement van Marine eigener beweging en geheel naar eigen inzicht daarbij kon te werk gaan, zou die overweging misschien nog in een klein halfjaar kunnen afloopen; maar men moet niet vergeten, dat natuurlijk het Departement van Marine voor deze zaak te onderhandelen heeft met het Departement van Koloniën en, voor zoover onze defensie betreft met het Departement van Oorlog. En wanneer die zaak bij Koloniën komt, kan Koloniën ook maar niet eenvoudig zeggen : ik denk er zóó over, maar moet het natuurlijk in correspondentie treden met het Indisch bestuur.

Als men dit alles in aanmerking neemt, zal ieder moeten toegeven, dat ik niet overdrijf, zoo ik zeg, dat daarvoor een jaar noodig is, zoodat niet vóór het einde 1914 — en nu reken ik zeer nauw en zooveel mogelijk in de richting en den geest van de heeren — de gedachten voldoende zullen vaststaan. Dan moeten in begin 1915 de voorstellen naar den Raad van State en naar den Raad van Defensie, de geopperde denkbeelden moeten nader worden getoetst en de voorstellen moeten dan ten slotte althans voor een deel in de begrooting voor het daarop volgende jaar worden ingewerkt. En wanneer het nu gelukt in November of December 1915 metterdaad die voorstellen te doen aannemen en in het begin van 1916 te doen aannemen de verdere wetsvoorstellen die voor de geheele uitwerking noodig zijn, acht ik het, indien alles zeer meeloopt, mogelijk, dat in medio 1916 de bestellingen zullen kunnen uitgaan. Dan moet men nog rekenen op minstens heel 1917 voor den bouw van de schepen - en dan reken ik voor dien bouw alweer heel weinig, slechts anderhalf jaar —, waarbij ik nog onderstel, dat zij buitenaf gebouwd worden, waar men sneller bouwen kan.

Wanneer ik dit alles in aanmerking neem, moet ik tot het resultaat komen, dat er geen remplacement van het bestaande en wegterende materieel komt vóór het einde 1917 op zijn allervroegst.

En nu stel ik de vraag: acht de Minister van Marine en met hem de Regeering, zich verantwoord, de vernieuwing van het allengs wegslijtende marinematerieel die vijf jaren te laten rusten? Antwoordt de Minister van Marine: die verantwoor-

Sluiten