Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

204

VERHOOGING V. H. VIDE HOOFDSTUK DER STAATSBEGROOTING

nu, zooals gezegd, onze schepen zoo groot en zoo sterk mogelijk moeten wezen, is de vraag hoe groot en hoe sterk dat wezen kan en waardoor wij daarin beperkt worden; en dan is het antwoord: niet grooter en sterker dan onze financieele en personeele draagkracht toelaat. Om een beslissing te kunnen nemen dient men dus eerst te weten hoe groot die financieele en personeele draagkracht zijn. Welke de financieele draagkracht is valt niet gemakkelijk te zeggen; deze is toch een factor die beheerscht wordt door de grootte van het bedrag, dat de Regeering, ook met het oog op de andere behoeften van den Staat, aan de marine uit de Staatsbegrooting en de Indische begrooting te zamen ten koste meent te mogen leggen, een aangelegenheid, die door de Regeering tot een punt van onderzoek gemaakt zal worden, gelijk reeds uitdrukkelijk werd medegedeeld.

Zoolang nu het toogezegde onderzoek naar de voor de vloot jaarlijks beschikbaar te stellen sommen niet is afgeloopen, en uit dat onderzoek niet gebleken zal zijn, dat de jaarlijks te besteden som voor nieuwen aanbouw kan worden verhoogd, is het financieel onmogelijk het INederlandsch eskader behalve uit 8 torpedobootjagers, waarvan 2 in reserve, uit meer dan 4 pantserschepen van 7600 ton en bovendien „De Zeven Provinciën" als reserve, te doen bestaan.

Thans de personeele draagkracht onder de oogen ziende, kan reeds dadelijk gezegd worden, dat deze zoodanig is, dat, al bestond het hier vermelde financieele bezwaar niet, het, ten minste in de eerste toekomst, toch niet mogelijk zou zijn in Indië een eskader te bemannen, dat behalve 'uit de vermelde torpedobootjagers uit 4 of meer pantserschepen van grooteren tonneninhoud dan 7600 ton zou bestaan.

Onmogelijk is het natuurlijk om reeds thans met zekerheid te zeggen, of en zoo ja welke uitbreiding aan het personeel in de toekomst zou kunnen worden gegeven, ten gevolge bij voorbeeld van maatregelen, die meer lust tot het dienstnemen bij of blijven dienen in de marine zouden teweegbrengen, of ten gevolge van de uitvoering van andere denkbeelden omtrent de wijze van voorziening in voldoend personeel. Doch gesteld, dat het mogelijk zou blijken, om op de een of andere wijze meer vrijwilligers voor de vloot te bekomen, dan nog zouden de maatregelen, die dit kunnen bevorderen, zeker veel jaren moeten hebben dooigewerkt, eer daardoor zooveel meer bruikbaar personeel zou zijn verkregen, dat op de basis daarvan aan een aanmerkelijke versterking van de vloot in Indië zou kunnen worden gedacht.

Mijn voorloopig oordeel dienaangaande is, dat het niet mogelijk zal blijken te zijn noemenswaardig meerdere bemanning voor de vloot in Indië te bekomen, tenzij de Volksvertegenwoordiging vergunne, dat de zeemiliciens daar geruimen tijd achtereen dienst zouden doen; doch van een voorstel in die richting kan eerst sprake zijn, wanneer uit het onderzoek

Sluiten