Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOR. HET DIENSTJAAR 1912. —

BERAADSLAGING.

2 lil

heid, zoowel in Nederland als in Indië, en 3°. het bezwaar dat de toegang tot de reede van Soerabaja niet onder alle omstandigheden en te allen tijde verzekerd zou zijn, als de schepen heel groot worden.

Het eerste bezwaar wordt door den geachten afgevaardigde betwist door de bewering dat de Rotterdamsche Droogdokmaatschappij in staat zou zijn oorlogsschepen te bouwen grooter dan door de Regeering voorgesteld, daar ze niet zooals de andere groote werven in Nederland door sluizen of bruggen beperkt is. Dit laatste is juist, maar de bewering dat de maatschappij reeds thans tot het bouwen van zulke schepen in staat zou zijn, wordt uitdrukkelijk tegengesproken door mijn verantwoordelijken en deskundigen adviseur, den directeur van scheepsbouw. Die zegt daaromtrent:

„Deze werf is wellicht in staat om schepen van 10 000 ton en meer te bouwen, wanneer het gaat om vrachtschepen of passagiersschepen, ofschoon zulke schepen en de machines daarvoor nog niet door die werf werden gebouwd; tot het bouwen van oorlogsschepen behoort echter meer, zoowel wat materieel als daartoe bekwaam personeel betreft. En al moge het dei- directie mogelijk zijn, wat het materieel aangaat, door aanschaffing daarvan in betrekkelijk korten tijd daarover te kunnen beschikken, rnet het personeel zal dit niet zoo spoedig mogelijk wezen. Ten einde toch verzekerd te zijn dat het resultaat van dien bouw volkomen bevredigt, is het noodig dat ingenieurs, personeel van het teekenbureau en dat met de uitvoering belast, vertrouwd zijn met den bouw van pantserschepen, zoowel wat romp, aftimmering en toebehooren betreft al wat de machines aangaat."

De directeur heeft daarbij gezegd : elke fabriek in Nederland zal wel alles willen doen wanneer men haar maar geld geeft, maar dan zal zoo'n fabrikant wellicht naderhand vragen: ben ik dan altijd gegarandeerd dat het Rijk weer groote schepen zal laten bouwen? Blijft het Rijk mij steeds steunen? - want voor een enkel werk kan ik de fabriek niet zoo groot opzetten.

Zoo is het ook met de andere twee genoemde bezwaren. Het betoog van den geachten afgevaardigde komt hierop neer: o, dat komt allemaal terecht! Het zal na verloop van tijd wel komen.

Mijnheer de Voorzitter! Dat wil ik wel gelooven, de geachte afgevaardigde heeft een groote mate van practisch inzicht in "de toestanden die zullen komen, veel meer dan ik, dat wil ik toegeven, maar daar heb ik allemaal niets'aan. Ik heb maar te maken met de vraag hoe het op het oogenblik is en, als ik nog verder wil gaan, heb ik slechts rekening te houden met de zekerheid dat het in de toekomst anders zal worden, en dan vraag ik waar die toekomst ligt.

Waar nu de heeren die in de Dokcommissie hebben gezeten zelf hebben gezegd: het dok in Soerabaja moet geschikt zijn

Sluiten