Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOR HET DIENSTJAAR 1912. - BERAADSLAGING.

215

heb ik gehoord, dat men illusies had omtrent schepen van 10 000 ton, maar mij is dat nooit medegedeeld.

De geachte afgevaardigde heeft ook aangeroerd de quaestie van de werf te Amsterdam. Ik zal over deze zaak niet uitweiden. De geachte afgevaardigde weet, dat ik een commissie benoemd heb om deze quaestie te onderzoeken en daarover rapport uit te brengen. Zoo heel eenvoudig is de zaak niet. Wanneer de werf in Amsterdam opgeheven wordt, dan zal — ieder die over de zaak geadviseerd heeft is het daarover eens - de werf te den Helder uitgebreid moeten worden. Wij zullen die zaak eens rustig en kalm moeten bekijken. Een Minister zou van weinig beleid blijk geven, als hij maar wild op elk voorstel dat hem gedaan wordt inging. De Minister moet, vóórdat hij op een voorstel ingaat, zich goed van de gevolgen daarvan rekenschap kunnen geven.

De geachte afgevaardigde heeft tegen mijn schip ook aangevoerd, dat het, evenmin als „De Zeven Provinciën", te Willemsoord kan dokken en dat het dus ook niet geschikt zou zijn voor de verdediging van Nederland.

Het is volkomen waar, dat de dokgelegenheid te Willemsoord dit niet toelaat, maar het schip is ook niet uitsluitend bestemd voor de verdediging van den Helder, maar behoort tot de kustdivie en is, als zoodanig, bestemd om op de geheele kust op te treden. Nu vraag ik of zelfs een Rijk als Engeland in al zijn oorlogshavens gelegenheid heeft om al zijn schepen te dokken? Immers neen, en het schip, waarvan hier de rede is, kan dokken in Amsterdam en Rotterdam; is dat nu niet voldoende? Als het schip uitsluitend bestemd was voor de verdediging van den Helder zou het misschien iets anderszijn, maar nu 'het aan de kustdivisie is toegevoegd, zie ik in het ontbreken van dokgelegenheid in den Helder geen bezwaar. Het schip moet in den Helder kunnen binnenloopen, maar het behoeft er niet te kunnen dokken.

De geachte afgevaardigde uit Utrecht heeft betoogd, dat het door mij aangevraagde schip te zwak is, geen heklanceering heeft en niet voldoende vlug kan inschieten.

Mijnheer de Voorzitter! Ik zal niet trachten te betoogen, dat een grooter schip niet beter zou zijn dan een klein, doch dienaangaande dadelijk opmerken, dat het zoozeer aangeprezen schip in gevechtskracht in het niet zinkt bij de groote superdreadnoughts die thans gebouwd worden, en het dus alleen een quaestie is van meer of minder, tenzij men financieel, en ook met het oog op het personeel, in staat is om de grootste soort schepen te bouwen en tevens tot een groot aantal. In verband daarmede zal de geachte afgevaardigde mij ten goede houden, dat, waar hij naar den vloed van geschriften verwijst die in zake dit onderwerp het licht hebben gezien, ik meen, dat het geen zin heeft hetgeen daarin behandeld is, aan kritiek te onderwerpen. Ik zal daarom hoofdzakelijk verwijzen naar hetgeen dienaangaande in de Memorie van Antwoord is vermeld.

Sluiten