Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912. — beraadslaging.

227

„Nog, Mijnheer de Voorzitter, wensen ik in het midden te brengen, dat alle zeemogendheden, ook de kleine, pantsermaterieel blijven noodig achten en dit ook aanschaffen. De torpedo is en blijft altijd een auxiliair wapen."

De Voorzitter: Indien de. Minister nog eenigen tijd noodig heeft, geef ik hem in overweging zijn rede af te breken, om die na de pauze voort te zetten.

De heer Wentholt, . Minister van Marine : Gaarne, Mijnheer de Voorzitter.

De vergadering wordt voor een half uur geschorst en daarna hervat.

De heer Wentholt, Minister van Marine, zet zijn rede voort en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot de motie, door den geachten afgevaardigde uit Goes voorgesteld, waarmede ook de geachte afgevaardigde uit Utrecht I, de heer Van Karnebeek, zijn instemming heeft betuigd.

Ik geloof, dat ik hieromtrent kort kan zijn. Een Commissie in den geest als de geachte afgevaardigde wenscht is reeds door de Regeering toegezegd. Hoe die Commissie in bijzonderheden zal zijn samengesteld, zal natuurlijk een punt van ernstige overweging bij haar uitmaken, waarbij de Regeering zeker op de dienaangaande door den geachten afgevaardigde gegeven wenken letten zal, en ook op hetgeen daarover op zoo heldere wijze door den geachten afgevaardigde uit Ommen te berde is gebracht.

Volgens de bedoeling der motie zal omtrent het aanhangige wetsontwerp in geruimen tijd nog geen beslissing zijn te nemen, en nu vraag ik, die op lange na niet de parlementaire ervaring van den geachten afgevaardigde uit Goes bezit, met bescheidenheid, of het onder de gegeven omstandigheden aangaat geen beslissing te nemen omtrent dit wetsontwerp, waar dit practisch eigenlijk deel uitmaakt van de Marinebegrooting voor het dienstjaar 1912. En ik vraag mij zulks te meer af naar aanleiding van de rede van den geachten afgevaardigde uit Ommen in den avond van 22 December j.1., waarbij die geaehte afgevaardigde, voor zoover ik heb begrepen, namens de geheele rechterzijde het woord voerde in verband met het antwoord, hetwelk ik dien geachten afgevaardigde op zijn verzoek om uitstel gaf. Ik meende toch, na hetgeen op dien avond is gezegd, te mogen verwachten, dat nu beslist zal worden over het door mij aangevraagde schip en dat dit — men vergeve mij de uitdrukking — niet in een motie verdoezeld worde.

Verder merk ik omtrent den inhoud der motie op, dat door de aanneming daarvan de aanbouw van nieuw materiaal voor Indië voorloopig zou worden stopgezet, aan welk bezwaar de geachte afgevaardigde meende te gemoet te kunnen komen

Sluiten