Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912. — beraadslaging.

245

kunnen doen. Ik voor mij voel daar wat voor, ik vond dat voorbeeld goed, maar ik kan mij niet herinneren, dat, om zoover te komen, Oostenrijk een commissie aan het werk heeft gezet, zooals de geachte afgevaardigde uit Ommen die heeft geschetst.

De Voorzitter : Verlangt nog een der leden het woord ? Zoo niet, mag ik dan vragen, of een der leden van de Regeering nog het woord wenscht te voeren ?

De heer Heemskerk, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! Ik onderstel, dat, naar aanleiding van de motie van den heer de Savornin Lohman, die, naar ik mag opmaken uit het Kort Verslag, niet gaat tegen den Minister van Marine, maar gericht is aan het geheele Kabinet, ook weer niet tegen het Kabinet, maar gericht aan het geheele Kabinet, er reden voor mij zal zijn om een woord te spreken, maar ik zou het op prijs stellen om in de gelegenheid te zijn dit a. s. Dinsdag te doen.

De beraadslaging wordt verdaagd en de vergadering gesloten. 75ste Vergadering van Dinsdag 7 Mei 1912.

Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp tot verhooging van het Vide hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1912.

De algemeene beraadslaging en de beraadslaging over de motie van den heer de Savornin Lohman c. s. worden voortgezet.

De heer Heemskerk, Minister van Binnenlandsche Zaken: De heer de Savornin Lohman heeft met vier andere leden een motie van orde voorgesteld, luidende:

„De Kamer,

van oordeel dat, alvorens te beslissen omtrent den aanbouw van het bij het aanhangige wetsontwerp voorgestelde pantserschip, het wenschelijk is door een Staatscommissie te doen onderzoeken, op welke wijze, onder de bestaande omstandigheden en in verband met de 'financiën van Nederland en koloniën, onze Oost-Indische bezittingen behooren te worden verdedigd tegen eventueele aanvallen en de neutraliteit in den Indischen Archipel kan worden gehandhaafd, en aan die commissie op te dragen, binnen een door de Regeering te stellen termijn daaromtrent rapport uit te brengen,

gaat over tot de orde van den dag."

Die motie heeft, blijkens de verklaring van den voorsteller, een welwillende strekking. De geachte voorsteller zeide op bladz. 2192 van de „Handelingen":

Sluiten