Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

258

VERHOOGING V. H. VIDt: HOOFDSTUK DEE STAATSBEGEOOTING

lei quaestie's bijgehaald, die ook wel interessant zijn, doch die volstrekt niet in onverbrekelijk verband staan met hetgeen waarom het hier gaat. Het gaat, naar onze meening, niet om een Regeeringsprogram voor de verre toekomst; de laatste wereldgebeurtenissen hebben ons wel geleerd, dat ten slotte de Voorzienigheid haar eigen wegen bewandelt, die wij niet kunnen zien en ook niet kennen. Wij weten dus ook niet, hoe op den duur ons land zal worden geregeerd, hoe op den duur allerlei quaestiën zullen moeten worden opgelost. Waar dit zoo is, wensch ik geen commissie te benoemen om plannen te ontwerpen voor de toekomst; ik begeer zelfs daarover niet diep na te denken; dat alles zal te zijner tijd zich wel vanzelf oplossen. Maar het gaat nu om de naaste toekomst. En ik hoop dan ook, dat de Regeering dien weg niet zal opgaan, maar zich bij haar opdracht aan de Staatscommissie zal beperken tot datgene, wat absoluut en dadelijk noodig is.

Het gaat hier niet om allerlei nieuwe quaestiën. Wanneer men zoo hoort en leest wat over die Staatscommissie gesproken wordt, zou men denken, dat er allerlei nieuws moet behandeld worden, dat eenige heeren, die nog nimmer over die quaestie hebben nagedacht, bijeen zullen komen, om zich af te vragen: wat nu te doen? Maar hetgeen zij onderzoeken moeten, betreft alle quaestiën, die reeds lange jaren zijn voorbereid, waarover heel veel geschreven is en waaromtrent zeer veel kennis is opgedaan. De commissie moet worden samengesteld uit personen, die de noodige voorstudie van deze quaesties hebben gemaakt; en gelukkig zijn er hier te lande nog genoeg mannen, die Indië door en door kennen en ook weten wat regeeren is. Ik behoef hun namen niet te noemen. En als het noodig is inlichtingen te krijgen uit Indië, welnu, naar mijn meening kan men dan een gedeelte der commissie belasten met een onderzoek in Indië zelf; dan krijgen wij ook niet al die paperassen en correspondenties. Voor niets ben ik zoo bang als voor die — ik kan het niet anders zeggen — vervloekte papierboel! Wat men daarvan vaak bij groote quaesties ziet, is eenvoudig verschrikkelijk. Wanneer men met een urgente quaestie bij een Departement komt, dan moet de zaak vaak eerst naar Indië gezonden worden. Wij hebben toch te regeeren, en als wij moeten weten wat er in Indië noodig is, dan kunnen wij in korten tijd in de gelegenheid zijn dit zelf in Indië te onderzoeken. Maar als wij bij urgente quaesties overgeleverd worden aan de bureaucratische langwijligheid van Indische correspondentie, dan loopen wij groote kans als volk van den aardbodem te verdwijnen, nog vóórdat die heeren zich op de hoogte hebben gesteld van de quaestie.

Door die commissie moet, naar mijn meening, ook een ernstig onderzoek worden ingesteld naar de quaestie: torpedovloot of artillerievloot. Ik heb de Regeering met groote minachting hooren spreken over een torpedovloot. Ik zal mij wel wachten te zeggen hoe ik daarover denk; dit zou de Regeering

Sluiten