Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

260

VERHOOGING V. H. VIEE HOOFDSTUK DER STAATSBEGROOTING

gelaten, in elk geval moet gewerkt worden met spoed. Wij kunnen toch niet altijd achter aan komen! Het is een ongelukkig verschijnsel hier te lande, dat men altijd meent tijd genoeg te hebben, en dan de zaken een tijd lang te kunnen laten liggen. Natuurlijk, wanneer men een termijn stelt, volgt daaruit niet, dat, als de termijn om is, de commissie ter zijde wordt gesteld; de commissie kan dan uitstel vragen en diligent verklaard worden. Zij wordt evenwel moreel daardoor gedrongen met spoed te arbeiden. Wij worden in de Kamer ook dikwijls gedwongen vóór een bepaalden termijn klaar te zijn: waarom kan het met een Staatscommissie niet gebeuren? En wat zien wij als er verkiezingen in uitzicht zijn? Hoe worden wij dan niet telkens en telkens gesteld voor een termijn waarop iets tot stand moet zijn gebracht! Welnu, hier geldt het een zaak van veel grooter belang dan een verkiezingsprogramma.

In de stukken van de Regeering staat, dat zij een onderzoek willen hebben. Wij hebben gemeend, dat de Regeering prijs zou stellen op steun uit de Kamer voor een taak die verder reikt dan eenig verkiezingsprogram, en het aangenaam zou vinden wanneer er uit de geheele Kamer, uit verschillende partijen stemmen kwamen, die zeiden: dien weg moeten wij uit. Al waren er onder die stemmen misschien ook die van dezen of genen, die van andere gedachten uitgaan, men kan in een vergadering als deze toch wel uitmaken wat de algemeene stemming is en wat dus de Volksvertegenwoordiging bedoelt. Maar ook hier herhaal ik, waarmede ik begon: beneficia^ non obtruduntur. Indien de Regeering er niet op gesteld is, hebben wij geen behoefte de Regeering onze weldaden op te dringen. Wanneer echter de Minister zegt, dat hij wel steun zou willen hebben, doch losgemaakt van het schip, dan heb ik er niets op tegen, dat iemand dit voorstelt; maar om nu opnieuw een beneficium aan te bieden aan de Regeering, waar zij al twee keer heeft gezegd: dank je wel, lokt mij niet aan.

Ik kan dus nu zeggen, dat de plank, die wij aanboden aan den Minister van Marine, weggenomen is, te gelijk met hetgeen tot leuning moest dienen.

Wij meenden toch het den Minister gemakkelijk te maken om langs een plank, en te gelijk steunende op een stemming van de Kamer, over te gaan tot het vormen en het snel vormen van de Indische vloot; maar wanneer de motie niet in stemming komt, vervallen plank en leuning gezamenlijk en blijft er voor mij niet anders over dan, maar nu persoonlijk — zooeven sprak ik namens mijn medevoorstellers — mijn stem te motiveeren. Natuurlijk zal ik niet herhalen, wat door deskundigen in deze Kamer gezegd is; ik zit hier niet als deskundige, maar eenigermate als jurylid; met eigen verantwoordelijkheid.

In het algemeen hebben de adviezen van een Departement bij mij bijzondere waarde, meer dan die van anderen, omdat men natuurlijk aan een Departement over het algemeen over

Sluiten