Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912. — beraadslaging.

278

natuurlijk volkomen aan de zijde van de heeren marineofficieren, die in hun Marinevereeniging de critiek zoo sterk hebben ingeleid. Dat ik toch een aanmerking op de heeren heb gemaakt, dat ik een scherp verwijt tegen hen heb gericht van met hun critiek te laat te zijn gekomen, dit heeft zijn goede redenen. Ik kan de door hen geleverde critiek waardeeren, maar mijn verwijt blijft bestaan, dat zij daarmede vroeger hadden moeten komen, en vooral dat het hun niet past aan de Kamer te verwijten, dat de Kamer de verwaarloozing van de vloot op haar geweten heeft. Nu heeft men verschillende verzachtende omstandigheden voor het vroegere zwijgen van de heeren marine officieren trachten aan te voeren. Zoo heeft de heer de Savornin Lohman gezegd: men zal er niet eerder over gesproken hebben, omdat men vreesde toch van de Kamer niets te zullen los krijgen. Daarop antwoord ik, dat de heeren op dit oogenblik nog in dezelfde positie verkeeren, althans toen zij hun critiek begonnen. Zij zullen ook wel geweten hebben, dat de Kamer op het punt van uitgaven te voteeren voor marine niet scheutiger was geworden; er was althans geen enkele reden om dit te denken. Het was ook hun taak niet om de Kamer aan te sporen meer geld voor dit doel uit te geven dan tot nog toe geschiedde.

Hun taak ware geweest, ik heb dit in mijn eerste rede duidelijk doen uitkomen, om aan te toonen hoe wij door het ontzaglijk vermorsen van geld ten gevolge van het verkeerde marinebeleid, nu geen geld over hebben voor nieuwen aanbouw; hun taak ware geweest om aan te toonen, dat men met hetzelfde geld dat hier jaarlijks wordt gevoteerd voor de marine, een vloot kon hebben, beter dan de tegenwoordige. Dat is natuurlijk mijn standpunt niet, maar dat zou hun standpunt hebben moeten zijn. De heer Thomson heeft een andere verklaring gegeven voor hun vroeger stilzwijgen. Zij zullen kopschuw zijn geweest, meende hij; dat heb ik ook in een van de groote bladen gelezen. Het is mogelijk, het militaire regime leidt er toe, om een eerlijke overtuiging, wanneer die indruischt tegen den wil ter hoogste plaatse, die te onderdrukken. Maar die heeren hebben toch een organisatie, een Marinevereeniging. In die vereeniging kunnen zij voordrachten houden en de vereeniging kan dan besluiten om, desnoods met weglating van enkele passages, zulk een voordracht te publiceeren.

Welnu, dit hadden die heeren kunnen doen, zooals zij dit thans gedaan hebben, alleen veel te laat. Dan waren zij daarbij gedekt geweest door het gezag hunner organisatie, die achter hen stond. Maar hoe dan ook, het feit blijft, dat zij gezwegen hebben, toen wij hier jaar op jaar de millioenen verkwistten voor onnutte uitgaven en zij hun waarschuwende stem hadden moeten doen hooren. Dat zij dit niet gedaan hebben heeft misschien zijn goede reden gehad, maar dit behoort hen dan thans te leiden tot groote bescheidenheid in hun. oordeel over anderen.

M.B. 1912—1913. 18

Sluiten