Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIJZIGING EN AANVULLING VAN DE PENSIOENWET VOOR DE LANDMACHT 1902 EN DE PENSIOENWET VOOR DE ZEEMACHT 1902 (wetten van 9 Juni 1902, Staatsblad nos. 90 en 87).

MEMORIE VAN ANTWOORD.

Naar aanleiding van de beschouwingen en opmerkingen, voorkomende in het Voorloopig Verslag, betreffende de ontwerpen van wet, houdende wijziging en aanvulling van de Pensioenwet voor de landmacht 1902 en de Pensioenwet voor de zeemacht 1902, hebben de ondergeteekenden de eer, het volgende mede te deelen.

Algemeene beschouwingen.

Ten aanzien van de algemeene opmerking, betreffende de kosten, welke aan de thans ter overweging aangeboden voorstellen tot verbetering van de officierspensioenen verbonden zullen zijn, moge worden herhaald wat door den eerst-ondergeteekende reeds werd medegedeeld in de Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp, waarbij de gelden werden aangevraagd voor de verbetering van de traktementen der officieren, n.1. dat het bedrag, hetwelk voor het aangeduide doel zal worden uitgegeven, in alle opzichten een nuttig rendement zal opleveren. Immers de voor verjonging van het officierskorps in de middenrangen gewenschte doorstrooming zal er door worden verkregen, terwijl in het aanzienlijk gebrek aan officieren bij de landweer op doeltreffende wijze zal worden voorzien.

Verscheidene leden verklaarden het niet te kunnen billijken, dat nu tevens eene gelijke verbetering der pensioensbepalingen, als voor de officieren der landmacht voorgesteld, voor de marine-officieren zal worden tot stand gebracht, zonder dat de zorg voor de strijdbaarheid der zeemacht daartoe schijnt te nopen. Wanneer er in dit verband op wordt gewezen, dat de Regeering tot de verbetering dier bepalingen voor dé officieren der landmacht heeft besloten op grond van overwegingen, welke de strijdwaarde van het leger betreffen, verstaat men daaronder, zooals vanzelf spreekt, de maatregelen welke voor het leger noodig worden geacht om de doorstrooming in het officierskorps te bevorderen en om in het gebrek aan officierskader voor de landweer te voorzien. Die redenen bestaan niet, of in mindere mate, voor het korps officieren deizeemacht. Voor hen geldt overigens reeds de bepaling, dat zij

Sluiten