Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

292

WIJZIGING EN AANVULLING PENSIOENWET.

personeel, behoorende tot de wapens, waaruit de landweer is samengesteld, te worden beschikt.

In dit licht beschouwd komt nu eene verruiming der bepalingen, krachtens welke overgang van actief-dienende officieren van gezondheid naar het reserve-personeel mogelijk is, in het belang van den dienst onnoodig voor, waar reeds op grond van de wetten van 2 Augustus 1880 („Staatsblad" n°. 145) en van 6 Juni 1905 („Staatsblad" n°. 177) regelingen bestaan, welke het instituut van reserve-officier van gezondheid beheerschen en de beschikking over een ruim reserve-personeel, afkomstig uit elementen, buiten het actieve korps officieren van gezondheid staande, in de toekomst verzekeren.

Art. 3. De redenen, waarom voor het oogenblik juist in den kapiteinsrang de overgang van actief-dienende officieren naar de landweer met alle gepaste middelen moet worden bevorderd, werden uiteengezet op de bladzijden 6 en 7 van de Memorie van Antwoord, betreffende het wetsontwerp tot „wijziging en aanvulling van het VlIIste hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1911" (Gedrukte Stukken 1911 — 1912-142, n°. 6).

De eerstondergeteekende meent dus de leden, die geen reden zagen voor de exceptioneel gunstige bepaling voor de kapiteins in art. 3 van het wetsontwerp opgenomen, naar het aldaar gestelde te mogen verwijzen.

Art. 4. Bij het bepalen van den datum van 1 April 1911, als datum waarop de nieuwe pensioensbepalingen in werking zullen treden, heeft de Regeering als uitgangspunt voor hare overwegingen genomen het feit, dat de Tweede Kamer der Staten-Generaal in hare vergadering van 16 December 1910 heeft aangenomen de bekende motie van orde, waarin werd uitgesproken, dat in eene regeling voor de financieele positie der officieren zoowel de traktementen als de pensioenen moesten worden begrepen.

Waar derhalve door de meerderheid der Kamer destijds werd vooropgesteld het beginsel: geen traktementsverhooging zonder gelijktijdige pensioensherziening, daar meende de eerstondergeteekende het als aangewezen te moeten beschouwen, dat, nu de nieuwe traktementsregeling voor de officieren der landmacht met ingang van 1 April 1911 haar beslag had gekregen, de gewijzigde pensioensbepalingen van af hetzelfde oogenblik van kracht behoorden te worden verklaard. Vandaar dus de bepaling, welke als art. 4 in het ontwerp tot wijziging van de Pensioenwet voor de landmacht 1902 voorkomt, en aangezien de gelijkheid tusschen de pensioenwetten voor land- en zeemacht moest worden behouden, werd eene gelijkluidende bepaling in het ontwerp tot wijziging van de pensioenwet voor de zeemacht opgenomen.

Uit een en ander volgt, dat de Regeering zich bij het vaststellen van den datum van 1 April 1911 alleen heeft laten leiden

Sluiten