Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

390

uittreksel uit de begrootinö van nederl.-indië v. 1913.

gevergd mogen worden van de inlandsche bevolkingen zelf? Naar mijn meening zeer stellig wel. De bevolkingen van Nederlandsch-Indië hebben er overwegend belang bij niet te vallen onder de heerschappij van een ander Aziatisch ras, en zij mogen tegenwoordig ook wel zonder grootspraak aannemen, dat die bevolkingen onder de heerschappij van geen enkelen anderen Staat er beter aan toe zouden zijn dan nu zij tot NederlandschIndië behooren. Nederlandsch-Indië moet Nederlandsch-Indië blijven, ook in het belang van de bevolkingen die daar wonen.. .

286 Vergadering op 22 November 1912.

De Heer Verhey.... De heer Van Karnebeek heeft gisteren ook met een enkel woord besproken de defensie-politiek in Indië. Ik weet niet, Mijnheer de Voorzitter, of het uw bedoeling is dat thans op die defensie worde ingegaan. Mij dunkt, dat het beter is daarmede te wachten tot de Staatscommissie met haar rapport zal zijn gekomen; dan kunnen wij de zaak overzien. Intusschen heeft de heer van Karnebeek gisteren reeds die defensie-politiek besproken en aangegeven van zijn standpunt, wat voor Indië noodig zou zijn wat betreft de marine om ons gezag daar te kunnen handhaven.

Ik meen in uw geest te handelen, Mijnheer de Voorzitter, wanneer ik daarop thans niet inga.

De Voorzitter: Indien de geachte spreker dat punt kortelijk wil bespreken, zal ik hem het zeker niet beletten. Gisteren heeft de heer van Karnebeek het ook gedaan, omdat dit punt kortelijk in de stukken is behandeld. Maar ik zou het zeer waardeeren indien de geachte spreker, het punt behandelende, dit kort zou willen doen.

De heer Verhey: Mijnheer de Voorzitter! Het is een zeer uitgebreid onderwerp, en is niet uit te maken in eenige woorden. Ik kan niet volstaan met, evenals de heer van Karnebeek zich bepaalde tot de uitspraak dat hij 4 schepen noodig acht, alleen te verklaren, dat ik dat niet noodig acht. Daarom zal ik van een bespreking van deze quaestie thans afzien, en daarmede wachten tot de Regeering met voorstellen komt.. .

299 Vergadering op 25 November 1912.

De Heer de Meester .... Zeer verheug ik mij, dat de Minister instemming heeft betuigd met hetgeen door mij was gezegd omtrent den belastingdruk der inlanders en dat hij te dien opzichte niet met de stelling van den heer van Karnebeek meeging.

Ik sta niet tegenover den heer van Karnebeek, waar hij zegt, dat bij een goede defensie van Indië ook de inlander belang heeft. Zeer zeker is' dit het geval; aan onze heerschappij zou trouwens alle moreel recht moeten worden ontzegd, wanneer wij er niet van overtuigd waren, dat ons gezag aan den

Sluiten