Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslagingen.

897

De heer de Waal Malefijt, Minister van Koloniën: .Mijnheer de Voorzitter! Verschillende technische punten en ook de opleiding van het personeel zullen worden behandeld door mijn geachten ambtgenoot van Marine, terwijl ik mij tot het meer vreedzame terrein speciaal dat van de voeding zal beperken.

De heer Hugenholtz heeft mij de vraag gesteld of ik bereid ben nadere mededeelingen te doen omtrent het nieuwe voedingstarief dat is vastgesteld. Het zou de Kamer zeker niet aangenaam zijn indien ik het geheele besluit, dat op deze zaak betrekking heeft, en dat hier voor mij ligt, nu zou gaan voorlezen. Ik wil den geachten afgevaardigde daarom liever de toezegging doen, dat ik aan de Kamer een nota zal voorleggen waarin zijn aangeduid de verschillende wijzigingen die in het tarief van de voeding zijn aangebracht. Ik zal dat doen voordat hoofdstuk VI der Staatsbegrooting hier aan de orde komt, zoodat, wanneer de geachte afgevaardigde zich dan gedrongen mocht gevoelen zijn licht daarover te laten schijnen, daartoe gelegenheid zal zijn.

De geachte afgevaardigde heeft mij ook gevraagd of mij reeds bekend is wat het resultaat is geweest van het overleg dat plaats heeft gehad ten aanzien van de regeling van de financieele positie van de ziekenverplegers der vloot in Indië. Ik kan den geachten afgevaardigde daaromtrent geen mededeeling doen, omdat mij van de resultaten van dat overleg niets bekend is, maar ik wil ook weer gaarne toezeggen, dat ik, wanneer ik daarvan iets nader verneem, dat aan de Kamer op de gewone wijze zal mededeelen.

Ten derde heeft de geachte afgevaardigde nog ter sprake gebracht hetgeen hij voor drie jaar ook al heeft gemoveerd, nl. de toekenning van een toelage aan marinepersoneel bij spoorreizen van Tandjong Priok naar Soerabaja. Ik kan niet anders zeggen, dan dat ik die punten zal brengen onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal. Dan kan in Indië overwogen worden in hoeverre er grond bestaat voor de klacht, dat van de toegezegden warmen maaltijd bij aankomst te Soerabaja, niets terecht komt en of er wellicht termen bestaan in te gaan op de gedachte, die de geachte afgevaardigde drie jaar geleden heeft uitgesproken.

De heer Colijn, Minister van Oorlog, tevens belast met het beheer van het Departement van Marine: Mijnheer de Voorzitter ! De geachte afgevaardigde uit Rotterdam heeft een drietal vragen gesteld. In de eerste plaats heeft hij gevraagd of de Regeering niet bereid zou zijn den aanbouw van de twee nieuw aangevraagde onderzeebooten uit te stellen, niet alleen tot de op stapel staande onderzeeboot beproefd was, maar tot zij ook in Indië beproefd zou zijn. Tot mijn leedwezen kan de Regeering die toezegging niet doen. De geachte afgevaardigde heeft zelf begrepen, dat het materieel, dat nu wordt aangevraagd,

Sluiten