Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

414

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1913.

Wat dit laatste betreft werd anderzijds opgemerkt, dat indien inderdaad de leer wordt verkondigd, dat het personeel zich bij binnenlandsche onlusten van optreden heeft te onthouden, zulks niet anders is dan opruien tot muiterij, hetgeen te recht strafbaar is, wijl toch de Overheid niet kan toelaten, dat de schepelingen hebben te beslissen of zij een gegeven bevel al of niet zullen opvolgen.

De leden hier aan het woord konden zich vereenigen met gepaste pogingen om het scheepsvolk een hooger gevoel van eigenwaarde bij te brengen. Echter zoo dit in juiste richting wordt geleid, behoort er uit voort te vloeien eene grootere kracht om zich zelf te beheerschen, en afgezien van de wijze waarop de Bond voor minder marinepersoneel de vermeerdering van dat gevoel van eigenwaarde tracht te bereiken, moest geconstateerd worden, dat het aan zelfbeheersching, althans bij het gebeurde aan boord van Hr. Ms. „de Ruyter", had ontbroken, zoodat hetgeen hier geschiedde reeds twijfel moest doen ontstaan omtrent de vraag of van den Bond wel de juiste opvoedende kracht uitgaat. Men voegde hieraan toe, dat verzet, onder welken vorm ook, ongeoorloofd is, en dat zelf beheersching, welke leidt tot onthouding van ongeoorloofde daden van verzet, verre de voorkeur verdient boven het vergoelijken van die daden door er den naam van lijdelijk verzet aan te geven.

Deze leden meenden voorts, dat schepelingen, die voortdurend critiek uitoefenen op de handelingen der Overheid en hun eigen inzicht stellen boven dat van hen, wien zij hebben te gehoorzamen, voor den dienst onbruikbaar zijn. Ontslag scheen hun de eenige oplossing te zijn. Zou hierdoor de vloot ontvolkt worden, dan ware door zeemilitie in de leemte te voorzien, waarbij zoodanige voorwaarden moesten worden gesteld, dat, als bij het wapen der cavalerie, op voldoende aanmelding ware te rekenen. Men merkte hierbij op, dat in het leger de propaganda, die ontevredenheid wekt, minder ingang vindt, hetgeen zij hieraan toeschreven, dat het leger steeds in nauwere aanraking' komt met de maatschappij, waarin ook wel de ontevredenheid onder de minder bedeelde volksklassen wordt aangewakkerd, doch dit slechts geschiedt door eene minderheid, zij het ook dat deze op vrij luidruchtige wijze ontevredenheid en verzet predikt, terwijl de meerderheid in het kweeken van ontevredenheid niet den waren weg van geluk ziet.

Bij deze leden sloten zich sommigen aan, die vooral een krachtig' optreden tegen propageerende vereenigingen wenschten. Zij meenden, dat de Overheid tegenover de vereenigingen, die leger en vloot betreffen, geheel anders staat, dan tegenover nietmilitaire bonden. Eerstbedoelde behooren aan militaire tucht te worden onderworpen. Ontbinding moet volgen als zij zich tegenover de Overheid stellen.

Andere leden meenden, dat zonder nadere wettelijke regeling niet tegen deze vereenigingen kan worden opgetreden. Ook door de wijze, waarop zij hare actie organiseeren maken zij

Sluiten