Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

490

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1913.

Ten gevolge van het doorslaan van het anker van den electrischen motor, waardoor dat onderdeel ter herstelling moest worden afgegeven, kon het vaartuig aan de manoeuvres geen deel nemen.

Reddingsmaterieel voor onderzeebooten.

Naar aanleiding van de onder dit hoofd gestelde vraag kan worden medegedeeld, dat het bergingsvaartuig voor zijne bestemming reeds geruimen tijd gereed is en tijdens de proeftochten met de onderzeeboot III te Vlissingen aanwezig was om zoo noodig te worden gebezigd.

's Rijks werven.

Bij de beantwoording van de vragen, gesteld betreffende de boekhouding van 's Rijks werven en de bij de begrooting gevoegde bijlagen, wenscht ondergeteekende in de eerste plaats zijne erkentelijkheid uit te spreken voor den door eenige leden gebrachten dank ter zake van het doen van mededeelingen in de bijlage betreffende het bedrijf der werven. Aan die andere leden, welke zich niet ontveinzen, dat de resultaten van de ingevoerde boekhouding nog van weinig belang zijn, en dit daarna nader motiveeren, zij hier het navolgende medegedeeld.

Het zou zeker mogelijk zijn, indien slechts voldoende werkkrachten worden beschikbaar gesteld en nog eenigen tijd van voorbereiding wordt toegestaan, om in aansluiting aan de nu ingevoerde boekhouding bij de Rijkswerven eene boekhouding in het leven te roepen, welke in vorm overeenkomt met die eener industrieele inrichting; dat wil derhalve zeggen, eene boekhouding, waarbij jaarlijks eene balans en eene winst-enverliesrekening (i. c. eene algemeene bedrijfsrekening) wordt opgemaakt en waarbij alle uitgevoerde werken met een zeker percentage worden belast om zoo na mogelijk den kostenden prijs er van te leeren kennen.

Wanneer hiertoe werd overgegaan, zou het evenwel het meest logisch zijn om, ten einde niet een zeer gewrongen verband met de begrootingsboekhouding van hoofdstuk VI der Staatsbegrooting te verkrijgen, de Rijkswerven aan te wijzen als één of meer Staatsbedrijven.

Zooals reeds bij de beantwoording van het Voorloopig Verslag van het wetsontwerp betreffende de aanwijzing van de artillerieinrichtingen als Staatsbedrijf (Zitting 1911-1912, 271 n°. 5) werd medegedeeld, acht ondergeteekende in verband met de te nemen beslissing omtrent het al of niet blijven bestaan van 's Rijks werf te Amsterdam als werf van aanbouw en herstelling, het thans evenwel niet het oogenblik om ter zake eene principieele beslissing te nemen.

Ten aanzien van de nader gevraagde bijzondere inlichtingen aangaande hetgeen in de bijlagen wordt aangetroffen wordt medegedeeld, dat de in bijlage P voor de werven aangenomen verschillende verdeeling van de kosten van het personeel en

Sluiten