Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

496

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1913.

Door de indiening der jaarlijksche verzoeken bestaat voor de schepelingen de gelegenheid hunne wenschen te doen kennen Bovendien worden in het correspondentieblad van den Bond van minder marinepersoneel en in „Het Anker" alle grieven en vermeende grieven wereldkundig gemaakt. Aan voorlichting ontbreekt het dus het marinebestuur in geenen deele.

Eene parlementaire enquête zoude ondergeteekende ongewenscht en overbodig achten.

De marinier der 1ste klasse wiens bestraffing werd ter sprake gebracht, werd voor drie maanden verminderd tot marinier 3de klasse, wegens:

„In het bezit bevonden, met het kennelijk doel die te verspreiden, van een aantal gedrukte circulaires, waarvan de inhoud moet worden geacht een nadeeligen invloed te kunnen uitoefenen op eene goede militaire gezindheid van menig minder schepeling."

In deze circulaire kwam o. a. voor:

„Alles, waartoe uwe medewerking vrijwillig gevraagd wordt moet ge weigeren." De inhoud der circulaire in aanmerking genomen en gelet op de bedoeling om die te verspreiden, komt ondergeteekende de opgelegde straf volkomen rechtmatig voor.

De houding van den directeur en commandant der marine te Hellevoetsluis ten opzichte van de behandeling van een adres van de afdeeling aldaar van den Bond van minder marinepersoneel sproot voort uit de meening van dien vlagofficier dat, waar de bond geen rechtspersoonlijkheid bezit, deze niet tot requestreeren bevoegd was. Enkele dagen later het onjuiste van deze opvatting inziende werd het request door hem in behandeling genomen.

Passagieren.

In de passagiersregeling, welke 1 Juli 1909 in werking is getreden en waarvan bij de Memorie van Antwoord betreffende de Marinebegrooting voor 1910 [pag. 23] aan de Kamer inzage werd verleend door overlegging van Aanvullingsblad n°. 4 op het hoofdstuk „Instructie voor de commandeerende officieren", is sedert geen wijziging gebracht. Alleen zijn daarna, zooals blijkt uit het voorkomende onder het hoofd „Geest onder het personeel", door de commandanten der zeemacht in NederlandschIndië nader de bedoelingen omtrent de toepasselijkheid van de regeling kenbaar gemaakt. De beschikking, wélke laatstelijk voor Oost-Indië deze aangelegenheid regelt, is gedateerd 11 Jiili 1912 en bepaalt:

„Ingevolge de voorschriften op het passagieren, vervat in art. 184 van deel II, hoofdstuk IV. Verordeningen Koninklijke Marine, wordt het passagieren van Europeesche schepelingen op plaatsen binnen Nederlandsch-Indië, als volgt geregeld:

. os. schepelingen met den »ang van sergeant en hooger hebben vergunning niet aan boord van hun schip of in hunne

Sluiten