Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

506

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1918.

vereenigt de ondergeteekende zich in beginsel geheel met hetgeen daaromtrent door zijn ambtsvoorganger werd opgemerkt op bladz. 43 en 44 van de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer der StatenGeneraal betreffende de begrooting voor het dienstjaar 1912.

De meening van de leden, die de in 1898 toegekende verhooging van de soldij geen voldoende compensatie achtten voor de uitsluiting van den korporaalsrang, kan de ondergeteekende niet deelen.

De wijzigingen in de soldijregeling, die eventueel een gevolg zullen zijn van de voorstellen van de commissie tot herziening der traktementen van onderofficieren en minderen, zullen uiteraard ook. invloed kunnen uitoefenen op de bezoldiging van de hierboven bedoelde categorieën.

Bakkers en koks.

Onder dit hoofd worden te gelijk besproken de bakkers en koks, behoorende tot het militaire personeel der zeemacht en het burger-personeel, werkzaam in de marinebakkerij.

Wat het eerstgenoemde personeel betreft, zij medegedeeld dat ondergeteekende aan de commissie voor de traktementsherziening van de onderofficieren en minderen, omtrent de regeling der positie der koks en bakkers advies heeft gevraagd. Omtrent de grieven betreffende de loonen en werktijden deibakkers en koks, zoomede omtrent de wenschelijkheid van de samenvoeging der beide categorieën, moet hij daarom zijn oordeel opschorten.

Wat betreft de loonen en werktijden van het personeel der marinebakkerij moge verwezen worden naar het voorkomende op bladz. 44 en 45 van de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der loopende Marinebegrooting.

Waar door sommige leden in het bijzonder het loon van den meesterknecht bij genoemde bakkerij te laag werd geacht, zij hierbij medegedeeld dat de loonregeling de volle aandacht van den ondergeteekende heeft.

Ten aanzien van het loon van den meesterknecht, in verband met diens werkzaamheden en vakkennis, in eene vergelijking te treden met de loonen der bewaarders van de werf, komt, als betreffende twee verschillende diensten, die met elkander niets gemeen hebben, minder juist voor.

Voorts wordt opgemerkt, dat bedoelde meesterknecht het vooi' hem volgens de tegenwoordige loonregeling vastgestelde maximum op grond van zijn aantal dienstjaren zelfs nog niet heeft kunnen bereiken. Ook kan de bewering, als zoude van den meesterknecht op Zon- en feestdagen aanmerkelijk meer gevergd worden dan van de bewaarders op de werf, niet beaamd worden. Zooals uit het ten vorigen jare medegedeelde blijkt, wordt de arbeid in de marinebakkerij op de Christelijke feestdagen zooveel mogelijk beperkt. Des Zondags wordt nooit in die bakkerij arbeid verricht (referte het daaromtrent voor-

Sluiten