Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

534

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1913.

Met betrekking tot cle vraag waarom onder art. 85 meer wordt aangevraagd voor roeiers 2de klasse en matroos-koks en minder voor schippers 1ste klasse wordt hierbij het navolgende aangeteekend;

a. Voor de roeiers 2de klasse werd het afgerond getal van f 6500, d. i. f 900 meer, geraamd, omdat de uitgaven van 1911, waaronder begrepen zijn die voor tijdelijk personeel, f 6283 hebben bedragen.

b. Voor de matroos-koks is meer geraamd, aangezien in 1913 — in welk jaar het 5 jaren zal zijn geleden dat die qualiteit op de zeilloodsvaartuigen is ingevoerd — een groot aantal hunner voor periodieke verhooging van traktement in aanmerking zal komen. Deze omstandigheid was oorzaak van de raming op een afgerond getal van f 27.000 tegen f 25.300 voor 1912.

c. Voor 1912 moest worden gerekend voor den Kanaaldienst van het 4de en 5de district op 4 schippers tot den datum, waarop volledige stoomloodsdienst zou worden ingevoerd, en op één schipper minder voor het overige gedeelte van het jaar. Voor 1913 moest over het volle jaar op slechts 3 schippers worden gerekend.

C. Betonning, bebakening en zeemerken.

D. Verlichting.

Bezoldiging personeel der verlichting en betonning.

Indien ondergeteekende overtuigd was, dat de positie van het hierbedoelde personeel in eenig opzicht van dien aard is, dat het onbillijk zou wezen met het brengen van verbetering te wachten tot de Staatscommissie voor de arbeidsvoorwaarden der Rijkswerklieden haar verslag zal hebben uitgebracht, zou hij niet hebben nagelaten bij deze begrooting van die overtuiging te doen blijken, door het noodige voor verbetering van die positie voor te stellen.

Hij heeft naar aanleiding van een adres van den Bond van het minder personeel der betonning en verlichting dd. Juni 1912, waarin om verbetering van positie werd gevraagd, nagegaan of daarvoor termen aanwezig zijn.

Hij heeft echter geen aanleiding kunnen vinden om ten opzichte van de positie waarin dit personeel verkeert, een ander standpunt dan zijn ambtsvoorganger in te nemen.

Met betrekking tot de klacht over den langen termijn, die verloopt alvorens het maximum-salaris wordt bereikt, moet ondergeteekende er op wijzen, dat de leeftijd bij indiensttreding van de thans in dienst zijnden uiteenloopt van beneden 23 jaar tot 41 jaar. Waar nu een hoogere leeftijd bij indiensttreding geen maatstaf kan zijn van meerdere geschiktheid voor het eenvoudige werk dat verricht moet worden en derhalve het aanvangsalaris, ongeacht den leeftijd bij indiensttreding, voor

Sluiten