Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

542

marinebegrooting voor. het dienstjaar 1913.

worden gezocht. Maar niemand - en zeker verwacht ik het niet van dezen Minister - mag met sympathie of zelfs met onverschilligheid het aanzien, dat ons volk, het volk van Tromp en de Ruyter, er toe komt, zijn oorlogsschepen te bestellen in het land, waarop deze zeehelden met onze zelfgebouwde schepen zoo belangrijke overwinningen hebben behaald.

De heer Hugenholtz : Mijnheer de Voorzitter! Bij de vele en velerlei critiek, die ik van avond zal hebben te oefenen op het beheer van het marinebestuur, wensch ik te beginnen met aan dezen Minister den lof te geven, dien ik als eerlijk man hem brengen kan. Ik wensch hem den lof te brengen, in de eerste plaats voor de verschillende pogingen, die hij in het werk stelt om de opleidingen voor de adspirant-administrateurs van het wachtschip te Amsterdam naar het instituut te Willemsoord over te brengen. Dat is daarom van belang, omdat daardoor en daarin het beginsel is uitgesproken dat voortaan voor de opleidingen geen afzonderlijke schepen meer zullen worden bestemd. Als ik daaraan nog toevoeg dat de Minister aan het overwegen is of niet de opleidingen voor gymnastiek-onderwijzer bij land- en zeemacht kunnen worden saamgevoegd, dan mag ik wel als mijn vertrouwen uitspreken, dat de Minister in het algemeen mijn oordeel over die opleidingen deelt en tevens daaraan toevoegen de hoop, dat bij nader onderzoek nog verdere stappen in die richting zullen worden gezet.

Het tweede punt waaromtrent ik den Minister een woord van lof niet wensch te onthouden, is dat hij zeer krachtig voortgaat met de opruiming van oud en waardeloos materieel. Wij hebben uit de stukken vernomen, dat de oude pantserdekschepen, de „Utrecht" en de „Friesland", zullen worden verkocht. Het zou mij aangenaam zijn geweest, indien ik daarbij had mogen vernemen dat ook de „Holland" zou verkocht worden, maar daaromtrent bewaart de Minister in de Memorie van Antwoord het stilzwijgen. Daaruit moet ik op maken, dat dat schip in conservatie zal worden genomen. Indien dat juist is, zou mij dat leed doen. En verder zou ik de vraag willen stellen wat de Minister van plan is te doen met de „Zeeland", als die in West-Indië door de „NoordBrabant" is afgelost. Het komt mij voor dat de „Holland" en de „Zeeland" evenzeer als de „Utrecht" en de „Friesland" voor verkoop in aanmerking behooren te worden gebracht.

Dat er eindelijk aan het leven van de riviervaartuigen een einde zal worden gemaakt, kan ik niet anders dan toejuichen. Onder het bewind van Minister Wentholt werden die vaartuigen nog onmisbaar geacht. Zeker, ik weet wel dat de „Mosa", de „Rhenus" en de „Isala" niet onmisbaar werden geacht; ook de Minister Wentholt was overtuigd van de ondeugdelijkheid van die vaartuigen, maar hij heeft toch opzettelijk betoogd dat riviervaartuigen in ons stelsel van defensie niet konden worden gemist en dat hij een Oostenrijksch

Sluiten