Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

548

marinebegrooting voor het dienstjaar 1913.

uit schaamte; het kon wezen, dat deze Minister inderdaad toch eigenlijk schroomde om met dergelijke maatregelen openlijk voor den dag te komen.

Is het den Minister nooit opgevallen hoe ontzaglijk misbruik van een dergelijke circulaire gemaakt kan worden? Daar staat in deze circulaire, dat voor ontslag moeten worden voorgedragen al degenen die zich schuldig maken aan handelingen of gedragingen, welke klaarblijkelijk ten doel hebben te demonstreeren tegen van hoogerhand getroffen maatregelen of gegeven dienstvoorschriften. Elke actie van den Bond van het marinepersoneel kan onder die handeling gerangschikt worden wanneer men wil. Wanneer de Bond van minder marinepersoneel op de vloot laat circuleeren een lijst ter teekening, waarbij de manschappen bij wijze van petitie verzoeken een door hoogerhand genomen maatregel niet langer toe te passen, dan kan daarin worden gezien een klaarblijkelijke demonstratie tegen een dergelijken maatregel. Dat mag toch niet mogelijk zijn, omdat er dan geen sprake van lijdelijk verzet is, maar alleen van een verzoek. Maar toegelaten is 'dit volgens die circulaire niet meer; al die menschen kunnen dientengevolge voorgedragen worden voor ontslag. Kan men het den bond kwalijk nemen, dat het daarin ziet een poging om zich van lastige elementen te ontslaan en dat men het marinebestuur er van verdenkt om op die manier hen er uit te krijgen die men kwijt wil wezen ?

Vindt de Minister dat een eerlijke, een faire handelwijze, indien ja, dan schijnen zijn en mijn opvatting van eerlijkheid te verschillen.

Maar er is nog een ander punt in de circulaire, dat mij getroffen heeft, dat is het totaal ontbreken van den goeden, ouden stelregel: Audi et alteram partem, hoort ook de andere partij. Is het niet merkwaardig, dat de Minister wel afdrukken verzendt aan zijn officieren van de redevoeringen, gehouden door den premier van het Kabinet, maar dat hij hetgeen daartegenover is ingebracht, niet ter kennis brengt van de officieren?

De heer Colijn, Minister van Oorlog, ad interim Minister van Marine: Dat was niet het standpunt van de Regeering.

De heer Hugenholtz : Maar het is wel zeer typeerend, dat de geheele gang van zaken er toe geleid heeft, dat men hier over den Bond van minder marinepersoneel in dit geval een vonnis heeft geveld zonder dat men maar de geringste poging heeft gedaan om dien Bond zelf te hooren.

In een gewoon rechtsgeding gaat het eenigszins anders toe, daar roept men getuigen op; de beklaagde heeft daar het recht om voor zich te doen pleiten. Hier is dit niet geschied. En wat was nu het begin van de redevoering van den Minister Heemskerk ? Die redevoering begon hiermede : over de grieven spreek ik niet. Juist, over die grieven sprak de heer Heems-

Sluiten