Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslagingen.

573

In 1904- heb ik hier, besprekende de belangen van het personeel, er al op gewezen, dat speciaal de voeding in Indië het was die reden gaf tot klachten, maar men heeft het rustig aangehoord, zooals alles, wat ik gezegd heb, en er zich niet aan gestoord. Nu, negen jaar later, is dat eindelijk een van de redenen geweest, dat er een uitbarsting van ontevredenheid is gekomen, nu eindelijk zal men... maatregelen nemen? Dat staat nog te bezien, maar men gaat de zaak bespreken. Op zijn Indisch zal het gaan; dat zal eenige jaren duren.

De klacht over de voeding is tweeërlei. Ten eerste het soort voedsel. Er is herhaaldelijk op gewezen, dat snert en grauwe erwten, en ik voeg er nu nog bij blikkensoep, geen voedsel is voor een heet klimaat, n'en déplaise den heer Roodhüyzen, die meent dat snert in Indië een bijzondere lekkernij is.

Men klaagt er over, dat de capucijners, wanneer zij gebruikt worden, zwart zijn en niet gaar te krijgen en dat de blikkensoep na een jaar zuur is en bovendien heet genuttigd moet worden, hetgeen in een warm klimaat ongeschikt is; en dat alles kan worden vervangen door ander voedsel, zonder hoogere kosten. Toch houdt men met hardnekkigheid daaraan vast en waagt er alle klachten van het personeel aan.

Er is, alweer op aandringen van mij, overleg gepleegd met de Indische Regeering over het voedingstarief en de Regeering heeft de resultaten van dat overleg op de griffie overgelegd. Mijnheer de Voorzitter! Ik ben nog nooit zoo gedes-illusioneerd geweest als toen ik die stukken in handen kreeg. Ik kan mij levendig voorstellen, dat de Minister van Koloniën gezegd heeft: ik zal het maar niet voorlezen, doch ginds laten deponeeren. Bij zeer nauwkeurige nalezing en bestudeering is mij gebleken, dat aan het geheele voedingstarief alleen toegevoegd is een klein beetje meer vet per dagelijksch rantsoen, maar tot het wegnemen van de ongewenschte voedingssoorten heeft men zich niet kunnen opwerken.

De tweede klacht betreft het vaak voorkomen van bedorven blikkenvoedsel. Hier speelt de Minister alweer de reine onschuld. Blikken op schepen voor den buitenlandschen dienst en in West-Indië - zegt hij - zijn nooit ouder dan twee jaar; maar het gaat juist om Oost-Indië. De Minister kan er zich niet van afmaken door te zeggen: dat behoort onder het ressort van de Indische Regeering, want hij behoort te weten en weet ook van hoeveel belang goede voeding is, hij weet, dat de slechte voeding een van de voornaamste oorzaken is geweest van den ontevreden geest op de vloot en het getuigt van onverschilligheid en verwaarloozing van plichten, nu maar te zeggen : dat ressorteert niet onder mij. Het overleg dat gij nu eindelijk zijt gaan plegen met uw ambtgenoot van Koloniën had al veel eerder moeten worden gepleegd.

Laat ik er dadelijk bijvoegen, dat, als ik deze zaken hier bespreek, mijn opmerkingen niet in de eerste plaats bedoeld zijn aan het adres van dezen bewindsman, die pas kort hier is gezeten.

Sluiten