Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGINGEN.

&2i

van Marine : Mijnheer de Voorzitter! Wanneer ik terug denk aan de discussie, die een paar weken geleden bij hoofdstuk VIII heeft plaats gehad, dan treft het allereerst de rustige welwillendheid, die spreekt uit hetgeen de verschillende sprekers aan beide zijden der Kamer in het midden hebben gebracht, en ik mag dan ook wel aanvangen met hun daarvoor dank te zeggen. De geachte afgevaardigde uit Weststellmgwerf zal intusschen wel begrijpen, dat die dank met tevens hem geldt.

Intusschen ben ik toch ook dien geachten afgevaardigde dankbaar, en wel hiervoor, dat hij inderdaad de beantwoording van hetgeen door hem gezegd is gemakkelijk heeft gemaakt door de zeer systematische wijze, waarop hij zijn rede heeft opgebouwd, en ik zal dan ook in hoofdzaak zijne rede volgen.

Enkele opmerkingen zijn gemaakt nopens het algemeen karakter van deze begrooting. De geachte afgevaardigde uit Tiektjerksteradeel en uit den Haag III hebben gezegd: deze begrooting draagt eenigermate het karakter van een kredietwet. Ik heb tegen deze qualiflcatie geen bezwaar. Het spreekt vanzelf, dat tusschen het tijdstip waarop ik optrad als waarnemend Minister van Marine en dat van het indienen der begrooting niet zooveel tijdsruimte ligt, dat van vèr strekkende hervormingen zou kunnen blijken. Nochtans geloof ik, dat er wel enkele elementen in deze begrooting zitten, die getuigen dat ik ook den korten tijd, dien mij gegeven was, met ongebruikt heb laten voorbijgaan. Zoo is er o. a. door de geachte afgevaardigden uit Weststellingwerf en Rotterdam III aan herinnerd, dat deze begrooting getuigt van het streven, om voor de defensie minderwaardig materieel ter zijde te stellen, en de geachte afgevaardigde uit Weststellingwerf heeft daaraan toegevoegd, dat hij meent ook ontdekt te hebben het streven om het aantal opleidingen bij de marine zooveel mogelijk te beperken. Inderdaad zijn dat de twee punten, die het alllereerst mijn aandacht hebben getrokken en waaromtrent ik dus ook in de' eerste plaats heb getracht mijn zienswijze m de begrooting tot uiting te brengen. En voor het overige sprak het vanzelf, dat het groote vraagstuk van aanbouw van nieuw materieel onmogelijk aan de orde kon worden gesteld.

De geachte afgevaardigde uit den Haag III heeft er aan herinnerd, dat in de Memorie van Antwoord nogal eenige verwijzingen plaats hadden naar de commissies die zijn ingesteld, en dat was inderdaad een eerbiedwaardig lijstje. Maar wanneer men dit gaat beoordeelen, niet naar het aantal verwijzingen maar naar de onderwerpen, dan blijkt dadelijK dat het voor mij uiterst bezwaarlijk is om daarover te spreken, want ik ben 'zelf lid van die commissie. En wanneer ik nu in de functie waarin ik thans achter de regeeringstafel sta, over die verschillende vraagstukken omstandig zou gaan spreken, dan zou ik eigenlijk verklappen een groot deel van het geheim van de beraadslagingen van die commissie, want het spreekt

Sluiten