Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

622

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1913.

vanzelf, dat mijn oordeel over die vraagstukken nauw samenhangt met het resultaat van het onderzoek van de defensiecommissie.

Mede is volkomen verklaarbaar hetgeen in de Memorie van Antwoord voorkomt met betrekking tot de marinewerf te Amsterdam, waarover verschillende afgevaardigden het woord hebben gevoerd. Doch zooals het meer gaat, jarenlang is er gevraagd die werf op te heffen en nu eindelijk in de Memorie van Antwoord iets te zien is, dat in die richting wijst komen er bedenkingen, hoewel niet van alle kanten, want twee geachte afgevaardigden zijn mij bijgevallen. Intusschen kan ik tot geruststelling van hen, die gaarne daarover nog eens nader zouden worden ingelcht, dit zeggen, dat ik volkomen bereid ben het rapport van de commissie, die ingesteld is ter bestudeering van dat vraagstuk, aan de Kamer over te leggen en ook in meer algemeenen zin publiek te maken, en dat, voor zoover betreft de vraag door den geachten afgevaardigde uit Franeker gedaan, of de Kamer in de gelegenheid zal worden gesteld een beslissing ter zake te nemen, ik een bevestigend antwoord meen te kunnen geven, alleen al omdat, indien tot opheffing van de werf te Amsterdam wordt overgegaan, waartoe ik op het oogenblik zeer geneigd ben, daarvan veranderingen in de andere werven het gevolg zullen moeten zijn en daarvoor natuurlijk bij de Kamer geld zal moeten worden aangevraagd. Alsdan zal de Kamer gelegenheid hebben nader van haar zienswijze te doen blijken. Ik vertrouw dat ik er dan wel in slagen zal - daarom zal ik nu op de verschillende dubia niet ingaan - de geachte afgevaardigden te overtuigen, dat de opheffing van die werf wenschelijk is.

Ik zal daarover ditmaal geen ander argument aanvoeren dan dat hetwelk ook al door den geachten afgevaardigde uit den Haag III is gebruikt, nl. dat het hebben van een eigen werf van aanbouw niet strekt om de marine te dienen, maar dat in den regel de marine met haar aanbouw die werf dient; en dat is een zoo merkwaardig feit, dat ik op dien grond alleen tot opheffing zal moeten overgaan.

Intusschen kan ik er op dit oogenblik over zwijgen, want de gelegenheid voor een nadere discussie zal nog komen, zooals ik zeide.

Wat het personeel betreft, waarover de geachte afgevaardigde uit Franeker heeft gesproken, - wanneer tot de opheffing niet wordt overgegaan vóórdat hier over de zaak nog eens gesproken wordt, zullen vanzelf de personeelbelangen daarbij aan de orde komen.

Van de werf tot het materieel is maar een kleine schrede. En dan wensch ik in de allereerste plaats te beantwoorden de opmerking, gemaakt door den geachten afgevaardigde uit Weststellingwerf, die nog eens gesproken heeft over het terugzetten van de manometers bij de proeftochten van de twee torpedobootjagers, die nu in Indië zijn, de „Bulhond" en de

Sluiten