Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

682

MAEINEBEGEOOTING VOOE HET DIENSTJAAE 1913.

Weststellingwerf gehoord, dat het verbreken van den band tusschen het orgaan „Het Anker" en den Matrozenbond alleen een zaak was van formeele beteekenis. Het was geschied op verlangen van den Minister van Marine destijds, maar feitelijk moet dat orgaan nog worden beschouwd als het orgaan althans het blad van den bond. Wanneer men nu van een reeks van nummers van dat orgaan kennis neemt, dan ziet men onmiddellijk dat daarin geregeld de klassenstrijd wordt gepredikt. Nu is dat praten van den klassenstrijd op zich zelf niet anders dan een aanduiding van een zeker politiek begrip, dat door degenen die dit doorzien, wien helder voor oogen staat wat daarvan de inhoud is, kan worden gehoord en gelezen, zonder dat het een schadelijke uitwerking behoeft te hebben. Doch in „Het Anker" wordt aan die leer een practijk gegeven, die tot rechtstreekseri gevolg moet hebben al die daden van verzet en zelfs van sabotage, die op de vloot zijn voorgevallen. Tot mijn spijt heb ik het nummer van „Het Anker", waarin dit vooral mij indertijd zoo sterk heeft getroffen, niet meer te mijner beschikking. Ik geloof dat het is van 1908. Het is misschien hetzelfde nummer, waarop de Minister zich ook heeft beroepen. In dat nummer kwam een stuk voor naar aanleiding van het vertrek van een schip naar Venezuela, een soort afscheidsgroet. Men had hier dus niet te doen met het uitzenden van een schip tot het bedwingen van binnenlandsche woelingen. Hier werd een oorlogsschip gezonden naar een buitenlandsche mogendheid, waarmede Nederland geschil had. Dat is dus een zuiver militair doel. En in dat artikel werd dan aan het zeevolk duidelijk gemaakt: denkt er om, gij gaat nu naar de West als verdedigers van de belangen der kapitalistische klasse; gij dient daar aan boord als beschermers van het bezit; gij dient daar de klasse die de arbeiders uitzuigt; die daarvan zooveel mogelijk tracht te halen, en gij doet dus niet een werk, dat een goed vaderlander behoort te doen, maar gij moet nu eenmaal; gij hebt in uw jeugd dat verband aangegaan, gij moet om den broode in dienst blijven; gij moet u daartoe leenen. De dienst werd dus daar gequalificeerd als iets, dat men eigenlijk, wanneer men vrij man was, beneden zich zou moeten achten.

Men vindt in dit artikel niets terug van die geestdrift, die de geachte afgevaardigde uit Weststellingwerf zooeven zeide te verwachten, wanneer het vaderland moest worden beschermd tegen een buitenlandschen vijand. Dan zou men, zoo zeide hij ongeveer, de matrozen bereid vinden om met geestdrift uit te trekken.

Wanneer men in de menschen overgiet zulk een geest, wanneer men ze zoo doortrekt van de gedachte, dat men, dienende aan boord van een oorlogsschip, wordt gebruikt om de materieele belangen van de vijanden des volks te bevorderen, dan kan men zich ook niet verwonderen, wanneer deze propaganda het succes heeft, men beoogt toch met het schrij-

Sluiten