Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslagingen.

691

macht. Men heeft dan een bemanning van zijn schepen zonder dat het pensioen kost. maar ik begrijp niet, waarom men het dan reeds nu niet eens zou probeeren. Men zou nu ook vrijwilligers voor dit werk kunnen oproepen tegen een premie, en hen daarvoor vrijstellen van den dienst bij de landmacht.

Voor de cavalerie gebeurt dat ook, merkt de geachte afgevaardigde uit Utrecht op, maar ik geloof, dat men ze veel eerder voor de cavalerie krijgt dan om naar Indië te gaan. Het is mij bekend, dat bij de cavalerie meest jongelui komen die zich vrijwillig daarvoor aanmelden, omdat zij daar dingen leeren die 'hun na den dienst te pas komen. Zij worden dan koetsier en huisknecht. Daarvoor zijn zij dan gewild. Maar waarvoor de menschen geschikt zullen zijn gemaakt als zn een jaar in Indië hebben rondgezwalkt op een oorlogsschip, weet ik niet. Ik geloof niet, dat die pleister trekken zou.- Ik geloof ook niet, dat de Minister daarmede menschen van veel beter gehalte op de vloot zou krijgen, zoodat het voor zijn Christelijke vrienden dan een aangenamer verblijf zou zijn aan boord Ik heb in één woord tegen die militiemarine op het oogenblik zeer ernstige bezwaren, met vele van mijn geachte medeleden, en het doet mij dan ook daarom leed, dat het werken van de organisatie onder het marinepersoneel op het oogenblik, men mag er nu van zeggen wat men wil, dat streven naar een militiemarine sterk in de hand werkt ik heb nog altijd hoop, dat de leiders van deze organisatie het zullen inzien, dat zij de bakens moeten verzetten en werkelijk het hunne er toe zullen bijdragen om een beter houdbaren geest onder het personeel te brengen.

Wanneer ik bij de Regeering een bedoeling mocht hebben ondersteld die er ' niet was, dan zal het mij aangenaam zijn, dat wij daaromtrent door den Minister nader worden ingelicht.

De heer Verhey : Mijnheer de Voorzitter! Met het oog op het ver gevorderde uur moet ik mij tot een paar opmerkingen bepalen. , „

In de eerste plaats een antwoord aan den geachten afgevaardigde uit Weststellingwerf, die mij verleden Donderdagavond naar aanleiding van hetgeen door mij over den geest bij de marine en over den Bond voor minder marinepersoneel is gezegd, heeft gevraagd wat ik, die de organisatie een goed hart toedraag, zou hebben gedaan inzake de beperking van üe passagiersregeling, indien langs den gewonen weg geen redres te verkrijgen zou zijn geweest, aangezien de geachte afgevaardigde wel uit mijn rede had verstaan, dat ik, hetgeen de bond gedaan had, afkeurde.

Ik gelóóf niet, dat ik den geachten afgevaardigde op dat punt zal kunnen tevreden stellen, omdat, hoezeer wij misschien overeenstemmen in onze wenschen oma-ent de zorgen die aan het marinepersoneel moeten worden gewijd en m den wensch dat een oordeelkundige en rechtvaardige behandeling

Sluiten