Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

696

marinebegrooting voor het dienstjaar 1918.

zuimd heb zijn vraag te beantwoorden. Ik kan dien geachten afgevaardigde mededeelen, dat de moeilijkheden, verbonden aan de passage binnendoor van den Helder naar het Zuiderkwartier voor de torpedobooten, zooals die nu worden gebouwd, niet gelegen is in de afmetingen van die vaartuigen, daar deze toelaten om van alle sluizen en brugopeningen gebruik te maken, doch dat de moeilijkheid, niet alleen voor de nieuwe, maar ook voor de reeds bestaande torpedobooten hierin is gelegen, dat zij bij de vaart door de binnenwateren heel langzaam moeten varen, daardoor niet zoo best sturen, dat zij heel licht, als het ware als een blaas op het water liggen en daardoor bij het schutten en het varen door de bruggen groot gevaar loopen averij te krijgen; dat bovendien bij mobilisatie en ook daarna, wanneer de spoorwegen gevorderd zijn, natuurlijk het gewone verkeer te water, op die binnenwateren veel belangrijker zal zijn dan in gewone tijden en dat eindelijk door het stellen der inundatiën althans in den eersten tijd, ook niet over alle schutsluizen zal kunnen worden beschikt. Dit zijn de oorzaken die gelden zoowel voor de bestaande als voor de nieuwe booten. Onmogelijk is die doortocht binnendoor dus niet, maar met het oog op averij wordt hij niet raadzaam geacht.

De geachte afgevaardigde uit Weststellingwerf heeft den vorigen keer gevraagd wat ik met de „Holland" dacht te doen. Mijnheer de Voorzitter! In de Memorie van Toelichting is bereids geantwoord, dat de „Holland", wanneer zij uit Indië komt, buiten dienst zal worden gesteld en hetzelfde lot deelt als de „Utrecht" en de „Friesland", zoodat alsdan van de pantserdekschepen zullen overblijven de „Gelderland", de „Brabant" en de „Zeeland", waarvan er één bestemd is als vormiugsschip, een ander als stationsschip in West-Indië en het derde als reserveschip moet worden gebruikt voor het geval een der beide andere een ongeluk overkomt

De heer Hugenholtz: Dus de „Holland" wordt ook verkocht.

De heer Colijn, Minister van Oorlog, ad interim Minister van Marine: Ja.

Een vraag van den geachten afgevaardigde uit Steenwijk over de hospitaalsoldij zal ik ook in verband maar even beantwoorden, omdat zij behoort tot de rubriek der onbeantwoorde vragen. De geachte afgevaardigde heeft gevraagd: waarom kunt gij niet personen die lijdende zijn aan venerische ziekte, wanneer zij in het hospitaal worden verpleegd, hun soldij onthouden behoudens een kleine hospitaaltoelage ? Mijnheer de Voorzitter! Ik heb mij er van vergewist, dat er onder hen die verpleegd worden voor venerische ziekte ook gehuwden voorkomen en nu is daarom de gevraagde maatregel onuitvoerbaar, omdat de gezinnen dier menschen daaronder toch niet mogen lijden, terwijl het bovendien niet zoo heel gemakkelijk is vast te stellen of

Sluiten