Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

702

marinebegrooting voor het dienstjaar 1913.

is, toen heeft gesteund. „Daar deze strijd een van de zijde deiarbeiders zeer gerechtvaardigde was, besloot onze organisatie daar zij moreel in de onmogelijkheid was, financieel te steunen. Zij gaf f50.-" En dan volgt: „Ook is uit het besluit van 1902 gevolgd het aansluiten bij het Comité van Verweer."

De geachte afgevaardigde zal mij ten goede houden, dat waar de man die afgevaardigde is geweest constateert, dat de aansluiting heeft plaats gehad, ik de ontkenning van den geachten afgevaardigde wederom niet aanvaarden kan.

Een ander punt waarover de geachte afgevaardigde in onrkennenden zin gesproken heeft was de pressie die door den bond wordt uitgeoefend op de schepelingen. Nu moet daarbij onderscheid worden gemaakt tusschen de pressie op zijn leden en de pressie op niet-leden. De pressie op de leden is dooiden geachten afgevaardigde niet ontkend. Dat is een uitvloeisel van hetgeen de geachte afgevaardigde noodzakelijk acht voor het bestaan van de tucht in zijn organisatie.

De heer Hugenholtz : Dat acht u ook noodig voor de tucht in uwe marine.

De heer Colijn, Minister van Oorlog, ad interim Minister van Marine: Het doet mij genoegen, dat de geachte afgevaardigde nog eens met zooveel woorden herhaalt, dat in de vakvereeniging die door hem wordt voorgestaan een zoodanige tucht moet heerschen, dat zij op gelijke lijn staat met de militaire tucht die in leger en vloot moet bestaan.

De heer Hugenholtz: En toch is het heel wat anders.

De heer Colijn, Minister van Oorlog, ad interim Minister van Marine: Maar dan voelt hij zelf natuurlijk, dat wanneer een zoodanige organisatie zich gaat opmaken tot den strijd, voor het slagen waarvan die tucht het middel is, zij daardoor des te gevaarlijker wordt in de militaire organisatie zelf.

Wat nu betreft de pressie op niet-leden, dat is natuurlijk heel moeilijk te bewijzen. Met naam en toenaam zeggen: „die en gene hebben hinder gehad van de pressie der bondsleden" gaat natuurlijk niet. Evenmin als de geachte afgevaardigde hier de namen noemen zal van de personen die hem ingelicht hebben, evenmin zal ik de menschen die daarover wel èens geklaagd hebben met naam en toenaam hier noemen, ten einde ze niet bloot te stellen aan weerwraak van de zijde der georganiseerden.

Maar is het den geachten afgevaardigde zoo onbekend dat indertijd, toen het aantal aangeslotenen geringer was dan tegenwoordig, bij voorbeeld een schoenmaker of kleermaker aan boord van een schip, die geen lid was van den bond, ook geen reparatie te verrichten kreeg ? Dat zal de geachte afge-

Sluiten