Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

710

marinebegrooting voor het dienstjaar 1918.

daaraan te verbinden de betrekking van directeur der werf, wanneer laatstgenoemde betrekking althans iets anders wil zijn dan eenvoudig een bloote sinecure.

Ik geloof dus, dat de vraag, of de scheiding noodig is, toestemmend moet worden beantwoord en dat het gewenscht is èn voor de werf, èn voor de vervulling van de beide andere betrekkingen de scheiding tot stand te brengen. Te meer nog, omdat zij op het oogenblik van mobilisatie toch tot stand gebracht moet worden en er dus in dit opzicht overeenstemming komt tusschen den toestand bij het uitbreken van oorlog en den toestand in vredestijd. .

Nu de vraag, of directeur der werf moet zijn een zee-officier dan wel een ingenieur.

Dit hangt natuurlijk geheel af van het karakter dat de werf heeft. Wanneer de werf overwegend arsenaal is, overwegend betrekking heeft op de uitrusting der vaartuigen, overwegend bemoeiing heeft met de mobilisatie van de schepen en met het aanmaken, verpakken en verzenden van munitie, dan is een zeeofficier de aangewezen directeur.

Het kan ook zijn, dat een werf zoo nagenoeg of uitsluitend is hetzij werf van aanbouw, hetzij werf van reparatie, dat men zegt: het industrieel gedeelte is zoo overwegend, dat directeur moet zijn een ingenieur.

Ik zou daarvoor geen vaste regelen willen stellen, le boerabaja b.v. is men tot de conclusie gekomen - te recht dat het het beste is daar een zee-officier aan het hoofd van de werf te hebben. Het kan zeer goed zijn dat men hier op den duur tot de conclusie komt, dat het een ingenieur moet zijn Het zou zelfs niet onmogelijk zijn dat, indien de werf ook werd ingericht tot staatsbedrijf, zooals met de artillerie-inrichtingen het geval is, men er dadelijk toe zou overgaan. Maar waar wij nu verkeeren in een overgangsperiode, die strekken moet ter voorbereiding van een nieuwen toestand, verband houdende met de opheffiing van de werf te Amsterdam en reorganisatie van de werf te Helder, geloof ik dat op dit oogenblik, waar het vak van uitrusting tegenwoordig op den voorgrond treedt, het daardoor gemotiveerd wordt thans een zee-officier te nemen. Intusschen wil dit niet zeggen dat het in de toekomst altijd een zee-officier moet zijn. Ik zou mij liever op dit standpunt plaatsen: dat men daarvoor moet nemen den man wiens qualiteiten het meest geëigend zijn om m het landsbelang werkzaam te wezen. Ik geloof, dat het verkeerd is in deze een vaste lijn te trekken en te zeggen : daar ga ik nooit van af. Het is best mogelijk dat het over enkele jaren een ingenieur moet zijn.

Ik zou daarom den geachten afgevaardigde willen verzoeken, waar niet uitgesproken is dat het steeds een zee-officier moet zijn, zijn bezwaren te laten varen.

De heer Verhey : Mijnheer de Voorzitter! Ik zou naar aan-

Sluiten