Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAA DSLA GINGEN.

713

— deze Minister had natuurlijk geen deel aan de samenstelling van die Troonrede —, en nu, vier jaar later, staat er in de Memorie van Antwoord voor hoofdstuk VI, dat een wetsontwerp tot regeling van de pensioenen van weduwen en weezen van mindere geëmployeerden en werklieden bij het Departement van Financiën in behandeling is.

Waar deze voorbereidende weg, van de Troonrede tot het Ministerie van Financiën, bijna 4 jaar heeft gekost, daar staat te vreezen dat het heel lang zal duren eer de zaak verwezenlijkt wordt. Ik dring er bij den Minister op aan, zoover het hem mogelijk is, de zaak te bespoedigen.

Omtrent de verhooging van de pensioenen der werklieden wenscht de Minister het rapport der staatscommissie voor de positie der rijkswerklieden af te wachten. Die commissie is ingesteld April 1908, dat is bijna 5 jaar geleden. Staatscommissies kunnen niet altijd even vlug werken. De zaak moet goed doordacht en onderzocht worden; maar hier hangt er voor de personen in quaestie te veel van af, dan dat het door den beugel kan, alles ondergeschikt te maken aan den eisch van volledigheid. Misschien kan en wil de Minister eenigen invloed op de commissie uitoefenen om de verschijning van het rapport te bespoedigen. Ook voor die werklieden onder gezag van andere Departementen zou dit van groot belang zijn. Met groote dankbaarheid constateer ik, dat de Minister voor verschillende verbeteringen dat rapport niet zal afwachten.

In de eerste plaats de verhooging van het ziekengeld. Daarnaar is lang gevraagd en naar de vervulling der Ministerieele toezegging wordt met verlangen en vertrouwen uitgezien. Moeilijker is de quaestie van vrije geneeskundige hulp. De Minister zegt, dat hij dat ernstig ter hand zal nemen. Misschien is de zaak al verder gevorderd dan wij denken. Vooral voor een groote stad als Amsterdam is het moeilijk, maar _ toch ook voor andere plaatsen. Misschien zou de gemakkelijkste, eenvoudigste en voor het personeel meest gewenschte weg zijn, dat de menschen konden blijven in het ziekenfonds, waarin zij zijn, maar dat de fondsbijdrage tot zekere grens hun dooide administratie der werf werd vergoed. Ik veroorloof mij den heer Minister de overweging van dit denkbeeld ernstig aan te bevelen.

De Minister heeft omtrent de loonen een nieuw onderzoek ingesteld. Daarvoor zijn wij dankbaar. Hieromtrent wensch ik een opmerking te plaatsen, die ook andere beambten en arbeidenden betreft. De duurtetoeslag is verleden jaar helaas mislukt; maar in verband daarmee werd opgemerkt, dat in Nederland in de laatste jaren vrij algemeen welvaart heerscht; in handel, landbouw en industrie worden goede prijzen gemaakt. Over het algemeen wordt geld verdiend. Maar die goede prijzen moeten ook worden betaald en nu is het de algemeene ervaring, dat door de verantwoordelijke personen niet voldoende wordt bedacht, dat ten slotte een dergelijke toestand van algemeene

Sluiten