Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

712

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1913

wingen over de Staatsbegrooting voor dit jaar werd opgemerkt, mag men zijne verwachtingen van genomen maatregelen of, zooals in deze, van bepaalde handelingen niet te hoog stellen. Eenzelfde geest als thans op de vloot heerscht, komt tegenwoordig in alle kringen van de maatschappij voor, en het vrijwilligersstelsel als zoodanig laat maar al te veel ruimte voor inwerking van slechte invloeden op hen die als vrijwilliger dienen. Daarom ook zullen de pogingen van de officieren om op den geest een goeden invloed uit te oefenen slechts betrekkelijke resultaten kunnen geven en zulks niettegenstaande de ondergeteekende er van overtuigd is, dat het meerendeel van hen er naar streeft de zeer moeilijke taak, om met flinke handhaving van de tucht zich met volle toewijding te geven aan de behartiging der belangen van hunne ondergeschikten, zooveel in hun vermogen is, te vervullen.

Wat betreft de vervanging van het vrijwilligerspersoneel door zeemilitie, wenscht de ondergeteekende er op te wijzen dat hij bij de tegenwoordige organisatie onzer zeemacht niet in die richting stuurt, maar in die richting gedwongen zal worden door de consequenties van een streven, dat het militair beroep met ieder ander beroep op één lijn wil plaatsen. Die actie leidt er toe, dat de vereenigingen van beroepsmilitairen zich ontwikkelen als moderne vakvereenigingen, die, zich spiegelende aan hetgeen in de burgermaatschappij geschiedt, het karakter van strijdende organisaties aannemen. Aangezien dit karakter indruischt tegen de voor eene krijgsmacht onmis bare eenheid en discipline, is strijd tegen deze opvatting een onafwijsbare eisch. Mocht echter blijken, dat het eene hopelooze poging is om het begrip van de vakvereeniging, of wel van de strijdende organisatie, uit de marine te weren, dan zal dit feit logisch moeten voeren tot instelling van eene militie-marine.

Niettemin zal getracht worden om eenerzijds door tegemoetkoming aan eventueel bestaande rechtmatige grieven en verbetering van bestaansvoorwaarden, anderzijds door verwijdering van elementen, die een lijdelijk verzet plegen of een slechten invloed op het personeel uitoefenen, den geest onder het personeel te verbeteren. Wanneer deze middelen falen en eene militie-marine de eenig mogelijke oplossing mocht blijken, zal de noodzakelijkheid blijven bestaan om een kern van vrijwilligers te behouden ter voorziening in het noodige kader en in de meer technische qualiteiten, wier opleiding langen tijd in beslag neemt. Dat op de onderofficieren, zoowel als op de miliciens ook een verderfelijke invloed kan worden uitgeoefend, de ondergeteekende zal het niet ontkennen, maar het vakvereenigingsleven zal bij beide categorieën niet of weinig kunnen tieren, bij de onderofficieren niet uit welbegrepen eigenbelang', bij de miliciens niet omdat zij als zoodanig geen beroep uitoefenenen.

Op de vraag of wellicht bij de wet het opruien tot indisciplinaire of manifesteerende handelingen zou kunnen worden

Sluiten