Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15 Juni 1871.

Acht en Twintigste Jaargang. No. 12.

CAECILIA.

ALGEMEEN MUZIKAAL TIJDSCHRIFT VAN NEDERLAND.

UITGEGEVEN ONDER GEREGELDE MEDEWERKING VAN

W. F. 6. NICOLAÏ, EICHAED HOL, JOH. BASTIAANS, J. C. BOERS, ED. DE HARTOG, Prof. W. MOLL, Prof. A. D. LOMAN, Mr. J. C. M. VAN RIEMSDIJK, Mr. J. N. VAN HALL, Cr. A. HEINZE, M. A. BRANDTS BUTS, J. B. LITZAU, DAVID KONING en anderen.

De uitgave geschiedt op den len en 15en van iedere maand bij MARTIIVUS NU HO FF te 's Gravenhage, aan wien me» alle stukken de redactie en de uitgave betreffende gelieve te adresseeren. Prijs f i.50, fr. p.p./- 1.65 per kwartaal. Men abonneert zich voor den geheelen jaargang. Advertentiën worden berekend tegen 12% cent den regel, groote letters naar plaatsruimte.

Voor het loopende jaar (te beginnen met 1° Mei), kan men zich abonneeren voor ƒ4.— , fr. p. p. f 4.40.

Inhoud. Ein deutsches Requiem van Johannes Brahms, slot, door R. Hol. — Fétis (Nekrologie) door Ed. de Hartog. — Berichten. — Een akkoorden-fantasie. — Correspondentie.

EIN DEUTSCHES REQUIEM

VAN

JOHANNES BRAHMS. Vervolg en slot van No. 9. Hoewel de beschouwing van een muzikaal kunstwerk tot beter begrip en sneller waardeering kan bijdragen, zoo ontveinzen wij ons niet, dat het eigenlijk tot de onmogelijkheden behoort, muzikale schoonheden door het woord aanschouwelijk te maken. Wat wil toch het koude woord tegenover den idealen klank der toonen, tegenover poëzie, welke meest daar aanvangt waar het woord ophoudt. Als wij het evenwel wagen onze lezers te noodigen, bij de beschouwing van den muzikalen inhoud der Brahmsche partituur, dan verzoeken wij hun vooraf, die partituur of minstens een Klavierauszug naast de Caecilia te leggen, anders zullen ze ons de vervelende oocenblikken niet vergeven, die hen te wachten staan. 1 ï)e middelen, die Brahms tot uiting zijner muzikale gedachten in dit werk heeft gebezigd, bestaan hoofdzakelijk in vierstemming koor en orkest; het laatste in de tegenwoordig gebruikelijke bezetting, door harp (minstens dubbel bezet) en orgel versterkt. Slechts twee solostemmen heeft hij aangewend, minder ter wille der muzikale tegenstelling, als wel omdat de tekst er aanleiding toe gaf. De behandeling dier solostemmen is dan ook van dien aard, dat de aandacht van den toehoorder niet te veel op den zanger als solist gericht wordt, hetgeen ook minder met den geest van dit werk strooken zou; Brahms heeft ten deele hierin Cherubini gevolgd, die zijn Requiem geheel zonder soli schreef en met wat werking, kan men het best nagaan, wanneer men dat van Mozart, waarin vele soli voorkomen, onbevooroordeeld er naast ligt. En nu voorwaarts!

No. 1. Geen violen, clarinetten, trompetten of pauken.

1 Schrijver dezes verkeerde onlangs in hetzelfde geval met een goed geschreven artikel over een werk, waarvan hij geen exemplaar bij de hand had.

Op het orgelpunt van den grondtoon P, die gedurende 10 maten aanhoudt, vangen de violoncellen in drie, de alten in twee partijen verdeeld, eene eenvoudige melodie, canoniesch behandeld, aan; van de 9e maat af doet het »Leid" zich reeds gevoelen waarvan de tekst spreekt, en na weinige maten verzinkt deze inleidende gedachte in de diepste regionen der alten en violoncellen, terwijl het koor in lange toonen «Selig sind, die da Leid tragen" aanstemt. Onder de vele schoonheden in dit nommer voorkomende wijzen wij op de melodie 9e maat van A in de hobo, later door de koórsopraan herhaald, op B, de behandeling der woorden »die mit Thranen saen, werden mit Freude ernten," op C, alwaar men de eerste instrumentaal melodie terug vindt op de woorden ïsie gehen hin und weinen," op de herhaling derzelfde woorden bij D; op E, waar het hoofdmotief van dit koor in de houten blaasinstrumenten ligt en de koor-alt zeer beteekenisvol eene tweede melodie zingt, die even als dit hoofdmotief in het No. 7 van dit werk bij D terugkeert.

Nog wijzen wij op de imitatiën bij F, die hoewel er vele van die polyphone fijnheden in dit nommer voorkomen, in verband met het eerste koormotief in de blaasinstrumenten aanwezig, hier vooral van gewicht zijn, door het dringende dat zij dit gedeelte bij den climax verleenen. Hoe vol weemoed dit deel ook zij, toch blijft het »Selig" als een vertroostende adem er over zweven, waartoe de schoone klankwerking het hare bijdraagt; deze is door weinige middelen verkregen en het zij reeds dadelijk gezegd, in de behandeling van het orkest toont zich de componist volkomen meester over de middelen welke het moderne orkest aanbiedt. Dit is een punt dat velen, die over dit werk spraken en schreven, over het hoofd hebben gezien en met te meer onrecht, omdat Brahms in andere werken zoo dikwijls is voorgesteld als een uitstekend schepper en bekwaam teekenaar, doch dieniet de gave van de kleur bezit. In het Requiem bewijst schier iedere bladzijde het tegendeel en wel niet het minst de aanvang van No. 2.

Dit gedeelte: Langsam, marschmüssig, s/t maat B moll, waarbij de violen, doch met sordini, voor het eerst zich doen hooren is hoogst aantrekkelijk èn door het coloriet èn door het zinrijke, dat vooral duidelijk wordt, wanneer het orkest, bij A dezelfde gedachte herhaalt

Sluiten