Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

752

DE HOLLANDSCHE REVUE.

om te vechten, maar nooit zonder bijgedachte aan voordeel. De geheele aarde is zijn vaderland. Niets is er, waarvoor hij staat, en willen staat voor hem gelijk met volbrengen. De vooruitgang is zijne onmisbare levensvoorwaarde. Protestant in het godsdienstige, is hij liberaal in het politieke. En aan den horizont van zijn gezichtskring liggen steeds de belangen van zijn ras, dat hij tot de hoogste idealen voert (Lapouge).

Hij heeft tot centrum van zijn verspreidings j gebied de Noordzee. Bijna zuiver op de Britsche eilanden, vormt hij nu nog het overheerschende bevolkingselement in de aan zee gelegen provinciën van Nederland en België, in Noord-Duitsch- j land en Skandinavië. Hij komt zuiver voor op Ysland en hij overheerscht sterk in de Vereenigde Staten en Canada. Jn Frankrijk en ZuidDuitschland is hij zeer in de minderheid.

Hij had vroeger een uitgestrekter verspreidingsgebied. Hij bedekte toen geheel Europa, het Noorden van Afrika, Klein-Azië. Sommige stammen, de Aryers, zijn zelfs doorgedrongen in Perzië en in Indië: andere bevonden zich terzelfdertijd in Siberië en kwamen ongeveer twee eeuwen vóór onze jaartelling in kontakt met China. Egyptische opschriften en muurschilderingen vertoonen het type van Homo Europaeus bij de veroveraars van de 15de tot de 12de eeuw v. Chr., bij de volkeren van over zee, Tamahoe, die van 4000 tot 3900 v. Chr. de delta bestookten; en door Flinders Petri werd zelfs eene blonde mummie van omstreeks 8000 v. Chr. gevonden. 1

De groote historische volkeren: Libuërs, Etrusken, Pelasgen, Hellenen, Kelten, Germanen, j Slaven, Gothen, hebben allen bestaan uit Homo Europaeus. Onder de oude Thrakiërs, Skythen, Perzen en Indiërs had op zijn minst de aristokratie het blonde type.

Om het oertype van het tegenwoordige z.g. blanke ras terug te vinden, had, gelijk algemeen bekend is, Max Muller het middel der taalvergelijking te baat genomen; de vondst was geniaal, maar meer dan gewaagd was 't, op haar te vertrouwen. De taal, die een volk spreekt, bewijst j niets voor bet ras, waartoe het behoort. De [ Egyptenaren hebben tweemaal van taal en van ! godsdienst verwisseld en toch is de Fellah van thans dezelfde als vóór achtduizend jaar, getuige onder meer de beroemde anekdote van den Scheich-el-Bélèd. De Joden spreken alle talen en | blijven Joden. Engelsch wordt gesproken door j Negers en door Engelschen. Aan den oorsprong j der Aryers ergens in de hoogvlakte van VóórAzië werd langen tijd nog door één man gehecht; j sedert Max Muller gestorven is, op aarde ook ! door dien éénen niet meer.

Van de verschillende nieuwere monografieën over den oorsprong der Aryers verdienen vooral genoemd te worden twee werken van Penka: j „Origines Ariacae" en „Die Herkuuft der Ariër". Deze auteur zoekt den oorsprong van het blanke ;

ras in Skandinavië, waar het nu nog zeer zuiver voorkomt en vanwaar het ook nu nog naar alle zijden uitstraalt: Ysland. Engeland (en vandaar Amerika), Nederland (Friezen en Saksen), NoordDuitschland, Denemarken, Oostzee,Groot-Rusland. Ziedaar ongeveer de tegenwoordige verspreiding der blonde menschen.

Stellig moet op zoölogische gronden het blonde ras ontstaan zijn in een gematigd klimaat, lichtarm, vochtig, zonder te strenge winterkoude en zonder te heete zomers. De depigmentatie van huid, iris en haar, het lymfatische der weefsels, de fijnheid van het gebeente, eigenlijk min of meer pathologische verschijnselen, gelijk de parel een pathologisch verschijnsel is, kunnen nooit of nimmer ontstaan zijn in een tropisch of subtropisch, droog, kontinentaal klimaat.

Lapouge plaatst het ontstaan der Aryers niet in Skandinavië maar in het land, dat tusschen de 5de en de 6de ijsperiode gelegen heeft tusschen Skandinavië, Schotland en Nederland, door hem naar den eersten steller dier hypothese, den Engelschen geneesheer Latham, vriend van den anthropoloog Beddoë, „Land van Latham" gedoopt.

Wij Nederlanders zouden ons dus haast de eer mogen toeëigenen, dat de wieg van het blanke ras bijna op onzen grond heeft gestaan.

Wist men zeker, dat men steeds met raszuivere exemplaren, met „volbloeds", als men ze zoo noemen mag, te doen had, dan zou, meent Mr. Valckenier Kips, de aanwezigheid van één zoölogisch kenmerk ook onfeilbaar de aanwezigheid der andere moeten meebrengen. Helaas! zijn vooral in meer beschaafde streken de menschen veelal op zoo schadelijke en roekelooze wijze gekruist, dat er niets van valt te zeggen.

Me n zou, als het niet afschrikwekkend klonk, de stadsbevolkingen haast met stadshouden kunnen vergelijken. In de meeste dier exemplaren is geen ras meer te bekennen.

Waarlijk, zoo zegt hij, niet alleen in Middenen Zuid-Amerika wemelt het van mestiezen en bastaarden. Gelijk daar tusschen Spaansch en Indiaansch en Negerbloed, zoo heeft in de steden van Europa eene vermenging plaats gevonden tusschen soorten, die niet minder uiteenloopen. Homo Europasus, Homo Alpinus, Homo Contractus, Homo Hyperborajus, Homo Meridionalis zijn op hopelooze wijze dooreengekomen.

Men weet ook uit moreel oogpunt niet altijd, wat men aan zulke lieden heeft.

Ook dat naar het lichamelijke de meeste stadsmenschen zoo leelijk zijn, is een gevolg van hunne qualiteit als zoölogische paria's, als kruisingsproducten eener geprostitueerde promiscuïteit. Een voorhoofd van Europajus boven eene kin van Alpinus, een neus van een Aryer op een stomp Ilethitengezicht, de thorax van een brachycephaal, gedragen door extremiteiten van een dolichoblonde... de stadsmenschen zijn niet fraaier dan een taks met foxterrier-pooten en een patrijshond met een buldoggen-neus.