Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

760

DE HOLLANDSCHE REVUE.

meer dan tot nog toe in Suriname een arbeidsveld zoeken.

Vriend Jonathan, zoo doet hij uitkomen, heeft reeds lang zijne aandacht op onze rijke kolonie gevestigd. Wat wij onlangs zoo karakteristiek op eene plaat in de Groene Amsterdammer zagen afgebeeld, waarop Gouverneur Lely voorkwam de Surinaansche maagd aan de Tweede-Kamer voorstellende, terwijl op den achtergrond Jonathan met aandacht naar dit schouwspel keek, is niet uit de lucht gegrepen. Herhaaldelijk bestond er gelegenheid, om op te merken tot hoever die oplettendheid zich uitstrekt. Het was eens op eene ten Gouverneinentshuize gegeven partij ter eere van een plotseling ter reede van Paramaribo verschenen Amerikaansch oorlogsschip, dat de commandant van bedoeld schip, sprekende over de kolonie, tot den Gouverneur durfde zeggen: „We know very well, Excellency, what you need „here. You need skilled labourers and we shall „be glad to send them to you, not only to stay „some time and then leave again the colony, no, but to remain here". Dit was veelzeggend. Verscheidene Amerikanen kwamen de laatste jaren in de kolonie met uitgebreide volmachten van zeer vermogende Amerikaansche kapitalisten en met den wensch en de bekwaamheid om veel tot stand te brengen. Tol nog toe zag men daarvan, door verschillende omstandigheden, weinig tot stand komen. Maar toch, eenige goudconsessies op verschillende punten van de kolonie, werden in ontginning genomen en andere zeer belangrijke aanvragen zijn nog in overweging. Voegt men daarbij, dat het grootste gedeelte van den cacao-uitvoer plaats heeft voor rekening van Amerikanen naar N.-Amerika en de kooplieden een zeer groot gedeelte van hunne waren vandaar betrekken; dat ook vele inwoners hun leven verzekeren bij N.-Amerikaansche maatschappijen en de stoomvaartverbinding met New-York hoe langer hoe beter, vlugger en goedkooper wordt; dat zelfs in groote N.-Amerikaansche bladen ingezonden stukken over Suriname voorkomen, dan kan het geen verwondering baren, dat onze kolonie door een en ander vrij goed bekend geworden is bij de toonaangevers in N.-Amerika.

Suriname is een rijk land, dat verklaarden herhaaldelijk Amerikanen. Het is slechts de kunst om uit de kolonie te balen wat er in is; en daarmede houden zich verscheidene Amerikaansche maatschappijen bezig.

Met de benoeming van een ingénieur tot Goeverneur vau Suriname schijnt de Nederlandsche regeering tot de overtuiging te zijn gekomen, dat de tijd is aangebroken waarop deze Kolonie in andere richting moet worden bestuurd. Mocht in de achttiende eeuw, toen door de herhaalde aanvallen en plunderingen der Marrons, Suriname ten ondergang gedoemd scheen, het aanstellen van krijgskundige goeverneurs een maatregel van wijs beleid geacht worden en ook worden toegegeven, dat in de 19e eeuw voor en na de vrijwording der slaven rechtskundige landvoogden noodig waren met het oog op de invoering eener

nieuwe wetgeving, op denzelfden grond zal men het moeten goedkeuren, dat, nu bodemonderzoek en tramaanleg op het programma der Regeering staan, een deskundige op dit gebied geroepen werd, het bestuur der Kolonie op zich te nemen.

De afschaffing der slavernij in 1863 bracht de Kolonie schier ten ondergang. Ettelijke voorheen bloeiende plantages moesten bij gebrek aan werkkrachten en door den ongunstigen geldelijken toestand, waarin vele eigeuaars geraakt waren, prijsgegeven ol gesloopt worden. Dat niet meer plantages in sloopershanden vielen, moet gedankt worden aan de in 1864 opgerichte Surinaamsche Bank. Door deze cirkulatie-Bank kwam er n.1. een eind aan den ouhoudbaren toestand, waarbij eigenaren van huizen en plantages, die om geld verlegen waren, overgeleverd werden aan enkele kapitalisten, die dan alleen bereid waren gelden voor te schieten, als zij woekerrente konden berekenen.

De toename der cacao-opbrengst, de uitbreiding van de goudindustrie, de herleving van de suikeren koffiekultuur zijn dan ook ook ongetwijfeld voor een groot deel aan de Surinaamsche Bank te danken.

Langzamerhand begon Suriname zich dus te herstellen van den schok door de vrijverklaring der slaven veroorzaakt; en toen in 1901 zijn beproefde vriend, de oud-goeverneur Van Asch van Wijck, tot Minister van Koloniën werd benoemd, bestond er alle reden te verwachten, dat het eene goede toekomst zou tegemoet gaan.

Doch hoe spoedig bleek die hoop eene ijdele te zijn!

Daar komt de onverbiddelijke dood aan het — ook voor Nederland — zoo nuttige leven van Suriname's vriend en weldoener een einde maken. En alsof het geschreven stond, dat Suriname nu moest te gronde gaan, kwamen allerlei rampen en onheilen over dit reeds zoo zwaar geteisterde land. Krullotenziekte, gele koorts, overmatige regens en als gevolg hiervan overstroomingen en mislukking van den oogst van den kleinen landbouw, vervullen aller harten mét schrik en doen beangst vragen, wat het einde van dit alles wel zou zijn. Voegt men nog hierbij de lage suiker- er koffieprijzen, de vergeefsche kostbare pogingen aangewend, om de onrustbarende ziekte onder de cacaoplanten te bestrijden, den achteruitgang of de ontbinding, van vele goudmaatschappijen, meestal ten gevolge van wanbeheer eu de min edele drijfveeren, die van hare oprichting de aanleiding waren, dan valt licht te begrijpen waarom op op het eind van Goeverneur Tonckeiis zesjarig bestuur, waarvan men vroeger zulke groote verwachtingen had, zulk eene ellende in de Kolonie heerschte, dat haast ieder Surinamer alle hoop op redding had opgegeven. Is 't wonder, dat er een juichtoon opging, toen het bericht vernomen werd, dat de energieke ingénieur en oud-Minister Lely tot Goeverneur van

Sluiten