Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KARAKTERSCHETS.

767

tot zijn beter-ik door te dringen, zijn vertrouwen op te wekken en uit te lokken. En dan — een element, dat ook van belang is, wanneer men met lieden van een bepaald vak weuscbt om te gaan — de bizonderhedeu en geheimen van hun vak, van het militaire leven, werden haar ontsluierd ; de dienstfiuesses, den hiërarchischen weg, de rangverhoudingen, de kleine en groote plagerijtjes, de grieven van hoog en laag, den aard der verschillende diensten en nog zooveel meer wat in de burger-maatschappij voor beuzelarijen wordt aangezien, maar in de kazerne van bizonder gewicht kan wezen, omdït het geluk of het meer en minder prettig dienen van den minderen soldaat er van af kan hangen — van dit alles kwam zij als de beste op de hoogte.

Juist deze bizonderheid was 't, die haar omgang met de soldaten zoo vergemakkelijkte; deze, wetende dat zij alles van hun dienst, hun manier van leven en wat hen overkomen kon, afwist, konden zich met een half woord verstaanbaar maken en behoefden zich, als zij hun hart eens voor baar uitstortten, niet in lange explikaties te begeven, die hun gewoonlijk niet gemakkelijk afgaan. Bij haar had men zekerheid, dat zij den soldaat met een half woord begreep, dat zij zich in zijn lief en leed kon indenken en met hem meevoelen. En de militair beschouwde haar op laatst als een der zijnen.

Haar jonge jaren in het Militaire Hospitaal te Groningen zijn voor haar dus een nuttige leerschool geweest en hebben, naast haar natuurlijken aanleg, haar gemaakt tot wat zij in Indië voor den „koloniaal" geworden is.

Maar wie was dat jonge meisje dan?, zoo zal men mogelijk vragen.

Welnu, we zullen 't thans zeggen.

Het was Corrie Stutterheim, die we in 't begin dezer regelen zulk een goeden en guustigen invloed hebben zien uitoefenen op het détacbement kolonialen, dat zich aan boord bevond van de mailboot, met welke zij naar Indië ging.

Maar ofschoon pas even twintig jaar, was zij toch geen jong meisje meer.

Want sinds we haar in het hospitaal te Groningen zageu, was zij in het huwelijk getreden met een militair — en hoe kon dit ook anders van een sol datenkind? — met een officier van het Indische leger, den luitenant der infanterie Kern pers, die aan boord van die mailboot als medegeleider van het détachement zijn bestemming opvolgde.

En thans willen we eens nagaan en vertellen wat door Mevrouw Kempers in Indië gedaan is, wat haar den eerenaam van

DE SOLDATEN-MOEDER

kon waardig maken.

In die dagen stond bij de burgerij de soldaat nog niet hoog in aanzien. Vooral de „koloniaal" niet. j

Wanneer men zijn vader en moeder had vermoord — zoo luidde toenmaals een volksgezegde — dan was men nog te goed om als soldaat naar Indië te gaan! Te Harderwijk kwam alleen het „schuim der natiën."

En hoe men zich nog jaren later een voorstelling vormde van de lieden, die voor Indië „teekenen", kan o.a. blijken uit een „revue" van Reijding, de „Ragebol" geheeten, die in 1893 bij Kreukniet en Poolman te Amsterdam veel sukces beleefde.

Een der hoofdpersonen uit dit stuk was een verloopen en verliederlijkt jongmensen, dat op dien groud (omdat hij toch voor niets anders meer deugde) koloniaal was geworden.

Als hij aan boord is en het schip gaat vertrekken, zingt hij een lied, waarvan het laatste koepiet aldus luidde:

Kom ik terug.... gezond, helaas,

Och, dan word ik kroegebaas...

'k Breng een grooten zak kwé-kwé

En misschien een apie mee,

En krijg 'k later — alles kan! —

Bij geval een „liereman"

Dan snij ik in een gasthuisbed

Uit, als 't leerzaamste sujet.

En dit koepiet vond toen veel bijval! Later, in het volgende bedrijf, als de koloniaal zijn roes ligt uit te slapen op een bank voor het politiebureau en hij door een agent wordt wakker gesehopt, weigert hij zich op te richten: „Ik vier hier het twintigjarig jubileum van den Atjehoorlog, maar ik sta niet op," zoo roept hij dan uit. Daarop werd een handkar gehaald, en onder het gejuich van het Amsterdamsen publiek werd de koloniaal door agenten op de kar gelegd en weggereden.

En toch zijn 't deze „kolonialen", die ons gezag in Indië helpen handhaven, en die, terwijl hun Hollandsche kollega's in "een klein garnizoentje vermuffen, hun leven gaan wagen tegen een gevaarlijken en dapperen vijand, in een dikwijls ongezond klimaat en moeilijk terrein; en toch zijn 't deze kolonialen, die er mede voorzorgen, dat de zonen der ouders, die in den schouwburg om zulk een koloniaal lachen, op afgelegen plaatsen in Indië als ambtenaar veilig zijn, en dat de oud-Indischgasten, die mede door den arbeid van den inlander hun schatten hebben vergaard, nu rustig in het moederland hun glas champagne kunnen drinken of dat, wanneer zij op hun gemak in de sociëteit hun kaartje leggen, hun suikerfabriek, hun thee-, koffie- of tabakslanden geen gevaar loopen!

En dit waren nu juist dingen, die Mevr. Kempers, met haar groote liefde voor den soldaat, en haar sterk ontwikkelden rechtvaardigheidszin, niet verdragen kon en waartegen alles in haar in verzet kwam.

O zeker, zij gaf toe, dat er onder de kolonialen minder edele elementen waren; beter dan menig

Sluiten