Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REVUE DER TIJDSCHRIFTEN.

781

men kan opmaken, dat waar men door import een paard krijgt voor ƒ400 en denkelijk wel voor ƒ350, dit bij zelf-fokken op minstens ƒ 945 komt. Per jaar wordt dit eene vetmeevdeving van uitgaven van ƒ136.250. Waarlijk niet gering!

Verder bevat „De Indische Gids" van November nog: „De Indische Landbouwconcessie", door Mr. K. van Hinloopen Labberton (vervolg); „Wat is er met 's Lands geld gebeurd ?" (opmerkingen over Indische Comptabiliteit), door H. A. Meppelink ; „Samensmelting van onze of'ficierskorpsen", door J. Staal; en „De Nationale Congressen in Britsch-lndië," (III).

De heer Staal is niet ingenomen met de plannen tot samensmelting der Nederlandsche en Indische officierskorpsen. Neen, zegt hij, in het belang van de bruikbaarheid van het Indische leger — en naar hij gelooft, ook van het Nederlandsche — geene fussie der officierskorpsen ! Slechts ruime, onderlinge detacheering van suba^erwe-officieren en in Indië meer manoeuvreeren met groote troepenafdeelingen.

DE NEDERLANDSCHE SPECTATOR,

Aan een bespreking van Heijerman's „Ora el Labora" door Dr. A. S. Kok ontleenen we de volgende uitspraak over zijn (nml. Heijerman's) talent :

Het zou jammer zijn, zegt Kok, als een auteur die zulk een dramatisch talent bezit, zich zeil' zou willen misleiden met het voorwendsel: dal is nu eenmaal mijn genre, mijne Kunst. Dat voorwendsel zou vergrijp zijn aan eigen gaven, zou zijn talent doen doodloopen. En de groote waardeering van dit talent wekt in ons de hoop, dat Herm. Heyermans Jr. ons mettertijd een andere, een nobeler opvatting van kunst te bewonderen zal geven. Het wordt waarlijk tijd na de proeven, die hij ons reeds gegeven heeft.

Verder zijn de vier nummers der afgeloopen maand gevuld met allerlei boek- en kunstbesprekingen, die ons geen aanleiding kouden geven tot eenig meerder citaat. Aardig is wel, dat de heer J. L. Walch nog eenige waardeerende en vergoelijkende woorden over heeft voor de „fumisterie" der zoogenaamde „Japanse" verzen van Rensburg.

NOORD EN ZUID.

Dit tijdschrift van den heer Taco de Beer wordt uitgegeven en geredigeerd ten dienste van onderwijzers bij de studie der Nederlandsche taal- en letterkunde.

Dit doel blijkt weer zeer duidelijk uit het November-nummer, want het opent met een vermelding der opgaven in bovengenoemd vak bij de hoofdakte-examens dit jaar te Haarlem, Utrecht, Breda en Assen gehouden, en zij die zich voor dit examen voorbereiden, kunnen daaruit eens zien, wat hen zooal gevraagd kan worden.

De heer E. Rijpma levert, eveneens met een on¬

derwijzend doel, een uiteenzetting en bespreking van Vondel's „Adam in ballingschap", terwijl dezelfde dan ook nog het een en ander ten beste geeft over „Onregelmatige werkwoorden".

Uit deze examen- en studiestof valt voor ons natuurlijk niets te revieweu.

THEOSOPHIA.

We hadden 't indertijd al voorspeld, dat de artikelen van Prof. Chantepie in „Onze Eeuw" over „Geestelijke Machten" de aandacht zouden trekken en polemiek zouden uitlokken. En dit komt nu uit. Want de redaktie van „ Theosophia" wijst in haar nummer van Oktober (het laatst door ons ontvangene) in een artikel, onder den titel van: „Een professorale stem over de Theosofie" op eenige kleine en groote vergissingen, die in 's heeren Chantepie's beschouwing over de „moderne Theosopha" voorkomen. We zouden, om de kwesties van verschil duidelijk te maken, het stuk in zijn geheel moeten overnemen; en dat gaat natuurlijk niet. Daarom moeten we belangstellenden naar het tijdschrift zelf verwijzen.

De aflevering opent met een „essay" over „Nauwkeurigheid," waaraan we de volgende beschouwing ontleenen :

Eén ding kan ons allen duidelijk zijn, dat namelijk de kracht, die van ons denken uitgaat, alleen dan van eenige beteekenis zijn kan, wanneer ons denken krachtig, bepaald en scherp omlijnd is. Wie echter gewoon is slordig en onnauwkeurig te zijn in zijn overige werkzaamheden, zal niet licht scherp en nauwkeurig zijn in het vormen van zijne gedachte-beelden. Hieruit zien wij van hoe groote waarde het gewone leven kan zijn als oefenschool. Zelfs het meest alledaagsche leven verschaft ons t' eiken dag tal van gelegenheden om nuttige, noodige eigenschappen in onszelf aan te kweeken, om ons bijvoorbeeld die nauwkeurigheid te verwerven, die, wanneer zij eenmaal beslist in ons karakter is ingeweven, er een onafscheidelijk deel van worden zal. Al onze uitingen zullen er van doordrongen zijn ; al ons denken, ons spreken, ons handelen zal den stempel dragen van de eigenschap, die wij ons door oefening op kleine, min gewichtige zaken verworven hebben,

Wanneer wij zóó het dagelijksch leven gaan beschouwen, als een leerschool waarin wij ons datgene eigen kunnen maken wat wij noodig hebben in een wijderen kring van werken, wint het voor ons aan belang, en veel wat ons vroeger vervelend scheen, wordt dan met opgewektheid onder de oogen gezien, omdat wij er een nuttige toepassing voor hebben gevonden. Vergeten wij niet, dat in het leven van hem, die eenmaal het Pad van Leerlingschap zou willen betreden, eene eigenschap als onnauwkeurigheid geen plaats meer vinden kan. Naarmate de mensch leert grooter en meer verheven krachten te beheerschen, van welker juiste toepassing meer en meer gaat afhangen, naarmate hij den sleutel verwerft tot hoogere gebieden der natuur, naar die mate wordt ook de verantwoordelijkheid, die op hem rust, grooter, en een fout, die vroeger in

Sluiten