Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REVUE DER TIJDSCHRIFTEN.

785

van Willem Kloos en W. F. Gouwe, terwijl Kloos dan ten slotte in zijn „Literaire Kroniek" de Brieven van Potgieter aan Busken Huet bespreekt. Het derde deel, zegt hij, is een hoogst merkwaardig dokument, dat iedere geschiedschrijver der Nederlandsche letteren in de 19e eeuw, die méér wil beschrijven dan het oppervlak alleen, die dóór wil dringen tot de essentieele kern, voortaan zal hebben op te slaan en te bestudeeren, indien hij wil geven een historisch-causale, een genetische uiteenzetting van wat wel genoemd is de litteraire Revolutie, die echter in waarheid een Evolutie was, welke, sinds '80 aan 't kracht verzamelen, in '85 tot ontbloeiïng kwam.

EIGEN HAARD.

De Merulaer's roman: „Carlien" is in de afgeloopen maand ten einde gekomen.

Zeer aktueel zijn dan artikelen over „Het 75 jarig bestaan der Kon.Militaire Academie te Breda", welk feest onlangs gevierd is; over „DeSabangbaai", die sinds 1 November door de schepen der maatschappij „Nederland" op hun reis naar Indië wordt aangedaan; over den tooneelspelerSchulze, die een dezer dagen zijn 25-jarig akteursfeest viert; over het „Verduurzamen van voedingsmiddelen met Weck's Sterilisator", enz., alles verlucht met afbeeldingen naar goede, scherpe fotografische opnamen.

Minder aktueel, maar toch aardig om te lezen, is een opstel over het eiland Schokland in de Zuiderzee, dat nog slechts door eenige menschen wordt bewoond.

„Eigen Haard" blijft up-to-date en is er altijd als de kippen bij, wanneer er wat nieuws of interessants is.

DE KATHOLIEK.

Voor ons valt uit „De Katholiek" van NWember niet veel te melden. Hij opent met een beschouwing van Louis B. M. Lammers over „De Bretonsche dichter Th. Botrel", een katholiek zanger, die hier nog niet bekend is, maar door zijn geloofsgenooten zeer wordt gewaardeerd.

Wanneer men ziet, —- aldus vangt het tweede artikel aan — hoe de menschen door den verbazenden vooruitgang der ontdekkingen op het gebied van allerlei natuurkrachten worden vervoerd, om al hunne zinnen op de stoffelijke dingen te zetten; wanneer men aanschouwt, hoe zij daardoor hunne hoogere en eeuwige bestemming j meer en meer uit het oog verliezen, dan wordt men aangegrepen door weemoediere stemming, en komt onwillekeurig de vraag bij ons op: waar j gaat dat alles eindigen?

Maar wanneer wij tegelijkertijd bespeuren, hoe krachtdadig de Kerk zich tegen die verderfelijke j richting verzet, en dien geweldigen stroom van ongeloof en zedenbederf te keer gaat, en hoe zij, verlicht door den H. Geest, dien stoffelijken vooruitgang aangrijpt, om de nieuwere ontdekkingen dienstbaar te maken aan haar hooger doel, als

zoovele middelen haar door de Voorzienigheid aangeboden, tot krachtiger uitbreiding van het geloof, tot vereeniging van hare kinderen, tot volmaking, der christelijke wetenschap, tot opluistering van de godsdienstige plechtigheden, dan wordt men bezield met nieuwen moed en gedenkt het goddelijk woord: „Zie! Ik ben met u tot aan de voleinding der dagen".

Om dit gevoelen bij de lezers van „De Katholiek" op te wekken, heeft F. van Etten een blik geworpen op de talrijke ontdekkingen ten opzichte van archeologie'en historie gedurende het verloop der laatste eeuw in het Oosten gedaan.

Het artikel heet: „Abraham's overwinning en de ontdekkingen en opgravingen tot het einde der laatste eeuw". En het derde en laatste artikel uit dit nummer is getiteld: „De kapitalistische maatschappij" en is van J. D. J. Aengenent, van Hageveld.

GROOT-NEDERLAND.

De „Dionyzos" van Couperus, die in het vorig nummer van „Groot-Nederland" werd begonnen en waaruit we toen een groot citaat opnamen, wordt in liet nummer van deze maand voortgezet; het komt nog niet tot einde, maar zal in de volgende aflevering gekontinueerd worden.

Een tweede vervolgstuk is het slot van Henri van Booven's schets „Op Zee", terwijl dan F. Leonhardt een goed geslaagde beschrijving geeft van kinderen, die begrafenisje-spelen nadat er een werkelijke begrafenis heeft plaats gehad. „Na de Begrafenis" heet deze schets.

Frans Coeneu bespreekt vervolgeus Verweij's „Jacoba van Beieren", welke proeve van Verweij's dramatisch verinogen door hem onvoldaan is ter zijde gelegd, in belangstellende afwachting wat hij in deze dingen verder zal wrochten. Meer enthoesiast is Van Nouhuijs over Quérido's nieuwen roman: „Menschenwee", waar hij veel in prijst. Over zijn woordkunst zegt Van Nouhuijs:

Het komt mij voor dat Is. Quérido ten volle bereikt heeft wat de strijders voor nieuw proza vóór twintig jaar zich voorstelden.

Hij heeft in de eerste plaats den cultus van het woord. Hij behelpt zich niet met een ten naastenbij, maar weet te delven in onzen taalschat tot hij het juist op dat oogenblik noodige gevonden heeft. Als de werkers op den akker is hij zelf een onvermoeid werker. En zijn oogst is rijk.

Telkens en telkens weer bewonderen we het rake, afdoende woord.

En met die woorden bouwt hij zijn volzinnen. En Van Deyssel, die geschreven heeft: „Ik houd van volzinnen, die loopen als scharen mannen met breede ruggen, zich rijend schouder aan schouder, steeds elkaar in breede rijen opvolgend, berg op berg af, met het gestamp hunner stappen en den zwaren voortgang van hun schrijden. Ik houd van volzinnen, die klinken als stemmen onder den grond, maar opkomen, stijgen, stijgen, luider en meer, en voorbijgaan en zin-

Sluiten