Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VEREENÏGDE TIJDSCHRIFTEN

14

Waar en wanneer intusschen van dit alles geen sprake meer is of behoeft te zijn, zooals bij onzen vereerden vriend, ontstaat dat zeldzaam „ick en weet niet wat", dat plots om onze grootste belangstelling en aandacht vraagt, om dan in volle waardeering te ontbloeien.

Het is waar, zóó door de Muzen begunstigd, met een zin voor waarheid even eenig als voor ieder voorbeeldig ,— onwaar zijn behoort tot het wel zeer weinige dat Wagenaar niet kan —; met een comitas, die hem steeds dezelfde welwillende man doet zijn, of hij met een bedelaar of met de koningin te spreken heeft, behoeft het Wagenaar niet moeilijk te vallen onder al zijn vakgenooten een voorname plaats in te nemen,

Wagenaar is, allen Goden van den Olympus te zamen zij dank! niet ijdel; daarvoor behoeden hem de eischen, die hij in de eerste plaats aan zichzelf stelt.

Klonk dit alles soms naar overdrijving? het kan zijn, maar, in waarheid, overdreven werd hier niet, en voor wien het raadselachtig is, hem zij de sleutel genoemd, waardoor Wagenaar zich den toegang tot een werkelijk hbogere levensopvatting, misschien onbewust, heeft weten te ontsluiten : „niets menschelijks is hem vreemd."

HUGO NOLTHENIUS.

Ten hartelijkste zijn wij stellig allen onzen hooggeschatten medewerker erkentelijk voor zijn gegedenking, die den spreker en den besprokene gelijkelijk eert. v. W.

IIItU(l[Umilt11HlIllIlI!llIllfltI11]|lIltlllilllIIIIIlII1|ïltlltIIIlliltIIIUIlUlJIl.lilI1IIIIItllllllllIIIIlllllllllIll1lllUIIIlllillllIlliUII

Tijdschriften. Het te Hamburg verschijnende muziekblad „Die Musikwelt" geeft een aan Nederlandsche kunst en kunstenaars gewijd nummer, naar aanleiding van de reis van het Concertgebouw-orkest, dat in de Hanze-stad en te Berlijn zoo schitterend ontvangen is, en ginds zulke sterke indrukken gegeven heeft, van de wijze waarop ten onzent de kunst beoefend wordt. De aflevering van Die Musikwelt bevat

portretten van Willem Mengelberg en van Messchaert, een afbeelding van het Concertgebouw en een van de groote zaal uit dat gebouw, met het podium, gedurende een repetitie van het orkest.

De redacteur van het blad, Heinrich Chevalley, opent de aflevering met een artikel over Mengelberg, vol bewondering en lof voor den grooten dirigent die van het Concertgebouw te Amsterdam gemaakt heeft, een plaats, waar „die gesamte zeitgenoessische Production der europaeischen Musikkultur, ein Asyl findet, dessen Atmosphaere entgiftet ist und in das der Ton politischer Leidenschaftlichkeit nicht hineindringt."

Dr. Paul Cronheim schrijft de geschiedenis van het Concert-gebouw, H. J. den Hertog geeft een opstel over: de zangkunst in Nederland, Hugo Nolthenius over de „Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst". Julius Roentgen vertelt van het verblijf van Brahms in ons land, H. J. de Marez Oyens releveert nog eens het ontzaggelijke werk, door Mengelberg in ons land, voor de kunst van Mahler verricht.

Nog genoemd moet een artikel van Dr. Rudolf Mengelberg, over Hollandsche componisten, dat aldus eindigt : „Ist die Musikproduktion in Holland auch lange nicht von so umfassender Bedeutung fuer die ganze Musikwelt, wie die Kunst der Reproduction, so hat sie doch schon manches Werk aufzuweisen, das der Beachtung durchaus wert ist."

Roentgen vertelt in zijn persoonlijke herinneringen aan Brahms o.a. het volgende: „In 1884 had men Brahms uitgenoodigd zijn derde symphonie te komen dirigeeren, juist in den tijd, dat de orkesttoestanden in Nederland niet anders dan treurig konden heeten. Het Amsterdamsche ensemble van die dagen was dan ook in het minst niet bekwaam, een werk als Brahms derde te vertolken; de gevolgen bleven niet uit. Hoeveel moeite de

Sluiten