Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

wach, noch einmal erhaschen möchte; reden lasst sich wenig darüber und loben gar nicht". (Neue Zeitschrift für Musik, 6 October 1835).

De sexten-gangen van de achtste doen te veel denken aan die van de 10e uit den eersten bundel om een zeer eigen indruk achter te laten, terwijl daarentegen de pittige, zeer besliste, doch tevens elfenfijne aanslag van de negende onuitwischbaar in de herinnering blijft.

De laatste drie études van dezen band zijn van grootsche, gigantische structuur.

Donderende octaven-gangen, in geweldig crescendeerende triolen dreigende opstormend en unisone voortstuwend naar een machtig fff, spatten plots uiteen in woeste flarden van geluid, in rauwe, dissonanten accoorden, wier niet-oplossing een oogenblik ademlooze spanning brengt.... en in kristallijnen helderheid ontbloeit dan, ook in octaven, doch van een transparante rust, een wonderzoete melodie, als een geheimzinnig-schoone danseres, die in maanlichten nacht haar zachte leden heen en weder wiegt. De rythmische deining van haar gesluierde slankheid is een verblijdende lust, de fulpen traagheid van haar beheerschte wendingen wekt vreemde ontroering en woordenlooze gedachten-reeksen reien zich tezamen in haar teer-glijdend beweeg, poozen star bij haar poozen onweerstaanbaar geboeid door haar zuivere vervoering, haar lenige volmaakte gratie.... totdat het visioen verflauwt en het iythme zich weer verscherpt en verspitst, onzen geest weer dompelend in een allengs woedender kolkenden maalstroom van dubbel-octaven, die na een ziedenden opgang tot een boven alles uit daverend al piü forte possibile met Titanen-kracht de ontketende energie van heele werelden tezamen terugdringen, terugwringen binnen de nauwe grenzen der menschelijkheid.

Mij persoonlijk kunnen de beide laatste études nos. 11 en 12, ondanks de kosmische krachten, die er even voelbaar als

in no. 10 en in elk geval veel intenser in werken dan in een van de overige études, toch nimmer in gelijke mate boeien.

Wat niet wegneemt, dat in de 11e (de z.g.n. „eroïca") de bassa risoluto met imposante marcato's de noodlotsslagen van het leven illustreert, terwijl de parelende figuraties in de rechterhand als een schuimende bergbeek de dorre landen der werkelijkheid ombruisen. Even slechts bloeit ergens een mildere variatie op het sombere hoofd-thema, gelijk een rozentuin met kleurige bloemen te midden van een woeste streek... — doch dra wordt deze vluchtige teederheid als 't ware des te barscher weersproken door de eindelooze en soms in felle schrijning ruw dissoneerende doorwerking. Ook hier een geweldige, steigerende climax, ook hier een magistraal zelfbedwang, een met ijzeren wil weer ten onder brengen van de oproerige machten en in een nadrukkelijk narcatissimo het schier profetisch bannen van alle helsche orgieën in de volle, octaven-zware dominant van het hoofd-motief.

De twaalfde eindelijk besluit op formidabele wijze den cyclus. Men vergeet hier het instrument, dat deze wilde, stormachtige accoorden produceert. Het is niets dan een donkere, vonkende lavastroom, een vreeselijk wraakgericht uit de Onderwereld, een rusteloos geweld van hamerende slagen — waarin het treurende Poolsche hart zijn passie-volle klachten uitsnikt.

De compositie is duidelijk een terugkeer tot de arpeggio's van no. 1 uit op. 10, maar op oneindig grootscher schaal. Ook de gang der modulaties vertoont overeenkomst en met waarlijk hel en duivel bezwerenden nadruk wordt ten slotte eenige maten lang het c-dur eindaccoord — de toonaard van de eerste étude — neergeklonken !

Dit dan zijn de 24 études van Chopin, zwak, zeer zwak in woorden beluisterd. Of het mogelijk en wenschelijk is te

Sluiten