Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

hand vergrootte zij haar harmonieterrein maar zonder evenredig toegenomen kennis der harmonienatuur, zooals men telkens hoort in haar modulaties en ziet in soms verbazende gevallen van anorthographie. „Modern" werd zij toch niet. Daarvan is haar stellig geen verwijt te maken, wel van versleten beweringen en van leelijke dissonanten die louter slordigheidsteekenen zijn; meer van een gebrek aan plichtbesef en zelfkritiek dat haar schromelijk liet zondigen tegen Verlaine. Liever dan haar misvattingen in Soleils Couchants te beschrijven verzeker ik dat zij met Rivoire's poëzie veel beter slaagde, hoewel ook daar tekortkomend in fijnheid en diepte van begrip. Vassidière's Ne plus t'aimer, goed voor een scènecompositiewedstrijd in een conservatoriumklasse, behandelde zij zóó, dat zij prijswinster zou kunnen zijn, als er hoofdzakelijk werd gelet op hartstochtuitdrukking en niet op de schoolwetten, ook niet te zeer op die welke na den academietijd blijven gelden. Stemmingen, andere, stillere, zijn bij wat toegevendheid tegenover logicagemis te waardeeren in haar Légende voor violoncel, een met recitatief geopend en gesloten ariosotooneel, dat effect belooft, ook door de wel niet steeds practische maar zelfstandige pianopartij. Haar talent is vooral een gemakkelijke melodievinding en zij heeft ook overigens fantasie met lyrisch en dramatisch gevoel. Zij kan voor veel vrienden der muziek iets wezen. Om voor die van onzen stand meer te worden zal zijn nog leiding noodig hebben, ook letterkundige. Daarnaar zoekt iemand van haar capaciteiten zeker in Den Haag niet vergeefs.

Op de Mechelsche beiaardkunst-tentoonstelling kon de Klokkenspelvereeniging nog haar juist van de pers gekomen uitgaaf van Röntgen's hier vroeger vermelde suite brengen.

Met dit werk, opus 70, bood de componist een voortzetting van zijn uitnemen-

den, gelukkig wèlbekenden arbeid, die nieuw leven der klassieke Nederlandsche volkstoonkunst bedoelt. In een vorm tusschen harmoniseering en paraphrase bracht hij vijf stukken: „Het Sneeker klokspel" (Animato e grazioso, fduur), „Advocaten en Procureuren" (Allegretto, d mol), „Ik voer laatst uit Hollandt" (Poco Andante, d duur), „De lustige Boer" (Animato e giocoso, c duur), „Rondo" (Allegretto, f duur). Aan het eind van den cyclus komt het begin terug; zoo wordt de kring gesloten. Men kan deze muziek ook, en heel gemakkelijk, op de piano spelen. Daarbij verschaft men zich begrip van echten klokkenspelstijl en genot van veel geest en frissche bekoorlijkheid. Meteen bewondert men stellig het meesterschap dat door allereenvoudigste middelen verrassend typisch en mooi klankeffect verkreeg.

Alsbach's uitgaaf der liederen van Hullebroeck is verrijkt met een „tweezang of koor voor gelijke stemmen" over Gustaaf Demey's gedicht „Zonneslapengaan".

Het titelblad verzinnebeeldt de zon in zonnebloemen en verbeeldt een stroom-, beemd- en bosch-landschap in gouden gloed, die paarsgetinte boomen op den voorgrond omhuift. Een dergelijk tweekleur encontrast heeft (met d duur en f duur) de muziek, die den zang laat glinsteren tegen een wiegend en beierend begeleidingsmotief, en, ofschoon „kunstlied" te noemen, den goeden Vlaamschen volkstrant niet verloochent. Men kan aanmerken dat de melodie bij de zonnedaling rijst, maar ook zeggen dat ze daar wijst en dat het gestrekt verwijlen aan 't eind harer beweging niet dan ten koste van den glans op een lagen toon kon wezen. Zooveel is zeker: het stuk heeft warmhartigheid in. gloriestraling en in de schemerrust van het slot. Het zal klankpracht geven met een groot vrouwenkoor; daartoe verdient het orchestratie.

Anna Sutorius heeft versjes geschreven

Sluiten