Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Eenigen tijd geleden hield „Geheimer Regierungsrat" prof. dr. Friedlander, hoogleeraar in de muziekgeschiedenis aan de Berlijnsche universiteit, de man, die voor het Duitsche volkslied — en ik mag wel zeggen voor het volkslied in het algemeen i— oneindig veel gedaan heeft, hier een lezing over ,,Das deutsche Volkslied mit besonderer Beziehung auf das niederlandische Volkslied," daartoe uitgenoodigd door de Deutsch-Niederlandische Gesellschaft.

Hij begon met ,,Ic stond op hoogen berge," „Het waren twee conincskinderen", „Die winter is verganghen" en „Naer Oostland willen wij rijden" en telkens, ook in het verdere verloop van zijn rede, weet hij ons precies de Duitsche volksliederen aan te wijzen, die met onze liederen parellel loopen. Spr. zingt ons telkens de beide volksliederen voor, de twee zoo nauw aan elkaar verwante liederen. Vele zijn niet van elkaar te onderscheiden, van vele ook weet men niet, of de oorsprong Duitsch of Hollandsch is. En hij toont aan, dat de wisselwerking nog steeds bestaat. Natuurlijk niet alleen bij de werkelijk mooie volksliederen, doch ook vooral bij de straatdeunen, de „Gassenhauer." Grappig is het hoe professor ons „Bokkie, bokkie bêh" en „Siene-lame-los" zingt.

Met hoeveel liefde behandelt Max Friedlander zijn onderwerp en hoe is hij het geheel meester!

Bij ons „Wilhelmus" blijft hij langen tijd staan en belangwekkend is zijn schets van den levensloop van ons volkslied. Het „Wilhelmus van Nassouwen", waarvan volgens spr. de oorsprong nog niet is vastgesteld, heeft waarschijnlijk Fransch bloed in de aderen, echter zou het evengoed van Duitsche afkomst kunnen zijn. In elk geval is het lied reeds vroeg naar Duitschland gekomen. In 1603 maakte Melchior Franck te Coburg gebruik van ons Wilhelmus natuurlijk met Duitschen tekst .— in zijn „Opusculum etlicher newer

und alter Reuterliedlein" en het aantal componisten, dat na Franck ons Wilhelmus gebruikt als Leitmotiv, als thema voor sonaten, als geestelijk of wereldlijk lied, is legio.

In 1765 toen Mozart, zeven jaar oud zijnde, te 's-Gravenhage kwam, gebruikte hij de melodie1) als „Thema mit Variationen für Spinett." In een gesprek, dat ik korten tijd na zijn lezing met professor Friedlander in zijn woning had, kwam hij nog eens in bijzonderheden op deze drie „kleuren" van het Wilhelmus bij de verschilcomposities terug: Franck gebruikte de melodie gaaf en zonder eenige verandering, maar omgeven door bekoorlijke coloratuurtjes, zooals dit in zijn tijd gebruikelijk was, Mozart in den gracielijken rococostijl en wij Hollanders hebben het lied behouden en zingen het stoer en forsch. „Wie Sie im fortwahrenden Kampf mit Meer und Flüssen ringen und dem Element Ihre Deiche entgegenstemmen, so singen Sie auch Ihr Volkslied", zeide Friedlander.

Maar een bijzondere geschiktheid schijnt het lied voor jagers-melodieën en andere volkswijzen te hebben gehad. In 1741 kwam het in de handen van Bach, die het in zijn Bauernkantate gebruikte met den tekst: „Frisch auf zum fröhlichen Jagen."2) Na dien tijd is het Wilhelmus eigenlijk pas populair geworden in Duitschland. In allerlei variaties wordt het gebruikt en al is, sedert Bach de basis voor de bekendheid legde, ook veel van de melodie verloren gegaan, zelfs in vele later gezongen liederen kan men duidelijk het geraamte herkennen. Onder deze is wel het meest bekende: „Wenn alleuntreu werden, so bleib' ich dir doch treu." Als jagerlied had het zijn grootste populariteit omstreeks 1770 en over den Elzas kwam het toen ook naar Frankrijk waarbij de woorden het jagersmaxime verkondigen, dat men om op de jacht te gaan vroeg op moet staan.

Sluiten