Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

29

zijn arbeid werd en wordt in de leskamer gedaan. Openbaar is zijn leeraarsverdienstelijkheid door pianosonatines, die met verscheidenheden van aardige karakteriseering hem meer dan zijn overigens nuttig versieringsoefeningen-repetitorium aanspraak op dank geven; zijn vioolstukjes in kwintomvang waarmee de vier snaren beurtelings mooi hun specifieke melodiekracht en rhythmische vermogens uiten; zijn bundeltjes getiteld Zeggen en Zingen, tot ontwikkeling van dictiejuistheidsbesef in het telkens gesproken begin en gezongen eind der hartelijke, frissche maar ook wel teere verhaal- en stemmingsversjes zijner vrouw (wier pseudoniem Vada haar vroegere woonplaats aanduidt, niet Wamel maar Wageningen); zijn ook door haar gedichte cantates voor meisjes en jongens, In 't bosch en Naar de heide, die zoowel om een jeugdig meeleven in woord en toon als om iets dat gevoel en fantasie tusschen het vroolijke treft, liefde wekt en onthouden wordt tot het beste behooren in onze kinderkoorlitteratuur, waarbij van hem en haar nog een flink jongensmarschlied met trompetten, trom en triangel is. Voorts gaf hij vele diductica zonder notenbalken: een vertaling van Schumann's huis- en levensregelen, een dikwijls uitgekomen termenlexicon in miniatuur met uitspraakwetten en -teekens, een eveneens menigmaal herdrukte muziekonderwijsbrochure voor ouderen, en ettelijke dagblad- en tijdschriftartikelen. Een poos was hij recensent bij de Nieuwe Arnhemsche Courant; dat voldeed hem niet lang, maar hij bezorgde voor mij, zijn opvolger, herhaaldelijk wanneer ik verhindering had, een kritiek en steeds een lezenswaardige. Met opstellen in periodieken heeft hij gepleit tegen verwaarloozingen of miskenningen, hier bijvoorbeeld tegen minachting van epigonen, maar vooral gepoogd bij practische studie te helpen: zoo zijn wij hem voordrachtscolleges over sonates van Beethoven ver¬

schuldigd, en het spijt mij telkens weer dat maar heel weinigen zulke tot doorzicht in meesterwerken leidende bijdragen willen verschaffen, terwijl men toch, honderden bereikend, waarschijnlijk meer wint dan 't ontberen van het klinkend demonstratiemiddel doet verliezen.

Zijn streven als paedagoog bracht hem op den voorgrond bij de Nederlandsche Toonkunstenaarsvereeniging. Zij kreeg in hem ongetwijfeld een verstandig, humaan examinator en een ijverig bestuurslidsecretaris. Bij haar veertigjarig bestaan was hij haar een voortreffelijk geschiedschrijver.

Den componist bereidde zij voor twaalf jaren op haar muziekfeest te 's Hertogenbosch de première van zijn orkestballade Danton. In Arnhem had hij dikwijls en al vroeg successen. Een der oudste die mij heugen behaalde zijn destijds in verscheidene plaatsen gezongen Leo-cantate, met enorme bezetting door vereenigde koren onder Meijroos in de groote zaal van „Musis" uitgevoerd. Veel later, nadat het een en ander van hem aan het publiek der „A. O. V." was voorgesteld, gaf hij tweemaal een eigen concert, in 1898 een kamermuziekavond met Spoor's combinatie voor deelen van twee strijkkwartetten en een derde volledig, benevens een strijkkwintet van Arnold Wagenaar, en een auditie met orkest voor een „Festzug", twee strijkinstrumentenfantasieën en deelen van drie suites; de bloemlezingen uit zijn portefeuille bevatten verder vioolstukken, mannenkoren en een paar vrouwenkoortjes. Ik heb toen ook in Nolthenius' Weekblad voor Muziek dat alles besproken en daar iets tot conclusie gezegd, dat hier met bekorting maar intactlating van de meeninguitdrukkingen even moge worden aangehaald: „Wat voornaamheid van gedachten, vaardigheid gratie van bewerking, verscheidenheid en fijnheid van coloriet aangaat bereikte hij telkens hoogere standpunten. Zijn individualiteit bleef in

Sluiten