Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

oudere en nieuwere werken op dat gebied. De richting, die hij zelf gevolgd heeft bij zijn studie, doet hier niets ter zake, mits zijn theoretische vorming voldoende is. Maar het onderscheid tusschen de nieuwere opvattingen en die van vroeger is te belangrijk en wordt tegenwoordig ook te algemeen erkend, dan dat een candidaat daarvan onkundig zou mogen zijn.

Met bovenstaande uiteenzettingen meenen wij in het belang van de toekomstige candidaten gehandeld te hebben. Het gaat toch om het verder voortbouwen op een grondslag, die in de praktijk gebleken is, deugdelijk te zijn. En daarbij is niet de hoofdzaak het aantal maar wel het gehalte dei toekomstige paedagogen: de Kunst wordt het beste gediend door wie het rijpste inzicht heeft en niet door een breede schare middelmatig ontwikkelden.

Naar aanleiding van dit laatste hebben wij nog een verzuchting op het hart — waarmede wij dit overzicht willen eindigen. Zij klinkt als een vrome wensch, misschien niet voor verwezenlijking vatbaar in dezen zoo bij uitstek practischen tijd. Maar ook vrome wenschen moeten wel eens gehoord worden.

Wat zou het heerlijk zijn, wanneer de candidaten toonden, dat zij niet in de eerste plaats voor het examen gewerkt hadden, maar voor het leven. De Kunst is toch oneindig rijk, de Paedagogie, als verbindende schakel, heeft evenzeer een onbegrensd gebied, en het is voor het geheele

leven, dat hier een grondslag gelegd wordt. Wanneer men de volle beteekenis dier begrippen realiseert, rijst vanzelf de vraag: is het dan werkelijk altijd noodig, zich te beperken tot het bestek van een examenprogramma? Ja, om redenen van practischen aard, finantiëele en maatschappelijke redenen, zal het voor de meeste candidaten wel niet mogelijk zijn, aan ruimere opvattingen te denken. Maar aan wie eenigszins daartoe in de gelegenheid is, zouden wij — vóór hij het tijdstip van zijn examen bepaalt — den ernstigen raad willen geven: beschouw de hier vereischte kennis als een onderdeel van het veel grootere gebied, laat alles goed bezinken en door de ervaring rijp worden, maar vooral: dring verder door in de Kunst, terwille van de Kunst zelve en van wat gij den menschen daarvan geven wilt. Uw waarde en uw latere werkkring zullen er door winnen en het examen op zichzelf zal voor U een geheel ander aspect verkrijgen. Examens blijven maar al te vaak eindpunten: zij behooren uitgangspunten te zijn, het geheele leven ligt voor U. Laat dan de grondslag zoo breed mogelijk wezen, opdat de paedagoog steeds worde gevoed door den kunstenaar. En dit blijft de eerste vereischte voor de vervulling van zijn hoogere roeping. Alleen de aanraking met de levende Kunst behoedt den paedagoog voor verdorring tot schoolmeester, verfrischt gestadig zijn inzicht en waarborgt zijn groei. K. A. T.

Sluiten