Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

gelijknamige intervallen der beide schalen verschillen aanwijzen die voortdurend onder het grootste verschil blijven, bij de drie hierboven besproken toonschalen gevonden. Ook hier mag men dus op grond van de physische uitkomsten met zekerheid aannemen, dat karakterverschillen tusschen de beide laatste toonaarden niet kunnen worden gehoord.

Een oogenblik zou men kunnen vooronderstellen, dat iemand met een zeer scherp en geoefend gehoor innerlijk de natuurlijke toonladder hoort, en door de afwijking daarvan, gevormd door het klinken van de getemperde, den indruk zou kunnen krijgen van een zeker karakter. Maar wanneer men de natuurlijke trillingsgetallen met de getemperde vergelijkt, dan dragen de verschillen niet alleen in de majeur-, maar ook in de mineurtoonschaal hetzelfde teeken, doch het percentsgewijze onderscheid is onbeteekenend. Het grootste onderlinge verschil wordt gevonden op den derden trap der beide mineurtoonschalen. Na omrekening vindt men het verschil echter niet grooter dan Vio percent van het aantal trillingen van den bijbehoorenden toon. De mogelijkerwijze onder bepaalde omstandigheden tot waarneming gekomen verschillen tusschen den klinkenden (getemperden) toonaard en den innerlijk gehoorden (natuurlijken, physisch zuiveren) toonaard, kunnen dus evenmin aanleiding geven tot het ontstaan van zekere karaktereigenaardigheden en dus, bij vergelijking, tot karakterverschillen.

Thans rest nog een korte beschouwing van de enharmonische gelijkstelling der mollen en kruisen. Het zou namelijk kunnen zijn dat personen met een zeer fijn,

en daarbij sterk geoefend muzikaal gehoor bij het klinken van een toonaard met mollen of kruisen op de piano getroffen zouden kunnen worden door het verschil daarvan met de natuurlijke toonschaal. Onderscheidenheid dier verschillen bij verschillende toonaarden zou dan wellicht verschillen van karakter kunnen motiveeren. Een mogelijkheid derhalve, van dezelfde orde als de zooeven besprokene. Toetsen wij deze vooronderstelling aan de werkelijkheid, en nemen we twee toonaarden als voorbeeld. Kiezen we als eenvoudig voorbeeld de schalen van f en van g. Schalen, met een zwarten toets aanvangende, zijn als voorbeeld te gecompliceerd. Immers, de zwarte toets ligt theoretisch midden tusschen het kruis en de mol, waarvan de eerste V73 van het aantal trillingen hooger ligt dan de laatste. De zwarte toets fis-ges ligt dus theoretisch de helft van 1/73 of Vh6 van het aantal trillingen onder de fis en evenveel boven de ges. Neemt men een toon van 6 X 73'/a of 441 trillingen (aangenomen dat dit fis-ges is), dan zou ges 438 en fis 444 trillingen bezitten, de zwarte toets fis-ges echter 441. Speelt men nu de schaal van ges (438 tr.) vanuit den toon fis-ges (441 tr.), dan speelt men die schaal feitelijk 3 trillingen hooger; speelt men die van fis (444 tr.) dan wordt zij inderdaad 3 trillingen lager getransponeerd. De plaats der witte toetsen is nu echter niet juist meer: in de schaal van ges liggen de witte toetsen ces en f op de piano te laag, in die van fis liggen de witte toetsen b en eis te hoog. Daarom kiezen we liever de eenvoudige schalen van f en van g.

f g a bes c d e f

ais-bes 464,1-457,7

345,2 387,5 435 460,9(460,3) 517,3 580,6 651,8 690,5 g a b c d e fis g

fis - ges 736,6-726,6

387,5 435 488,3 517,3 580,6 651,8 731,6(726,6) 775,1

Sluiten